7e Paaszondag

Introitus “Exaudi, Domine” :  Met de hemelvaart van de Heer komt ook een einde aan de feestelijke zangen van de voorbije paaszondagen. Bij dit introitus is het goed om de sfeer op te roepen van het samenzijn van de apostelen met Maria, die wachtten op de beloofde komst van de heilige Geest. 
- Verhoor, Heer, mijn stem, waarmee ik tot U roep – “Exaudi” zou normaal in de 1e modus willen beginnen met –reremibé do- wat niet kan, daar enkel sibé, als enig verlaagde noot in het gregoriaans kan voorkomen! Daarom werd de melodie een kwint hoger getransponeerd en kreeg “Exaudi” de noten:-lalasibé soldo do-! Nog iets eigenaardig aan dat 1e woord : het begint met een typische wending, eigen aan de 3e modus, waarmee het feestelijke introitus “Vocem iucunditatus” van vorige zondag ook begon: -mimifa resol- wat hier:-lalasibé soldo- wordt!  Het volgende woord “Domine” bereikt als eerste het hoogtepunt. Bij “clamavi” ontstaat het motief –fare fala sol- dat op verdere werkwoorden zal toegepast worden: zie “quaesivi + avertas”. De 2e zin : “tibi dixit cor meum” – naar U spreekt mijn hart – kent een vlot verloop na de om aandacht vragende kwartsprong van “tibi dixit”. Maar het vervolg “quaesivi vultum tuum” – ik zoek uw gelaatkrijgt de mooiste melodische bewerking, om syllabisch verder te gaan met “vultum tuum Domine requiram”  - Uw gelaat, Heer, zal ik zoeken -  De slotzin “ Ne avertas…” – wend Uw ogen van mij niet af – klinkt als een braaf, voorzichtig vragen.  2 alleluia’s, eigen aan de paastijd, sluiten de zang af.  Maar…het hoogtepunt van de zang zit in het vers, waar die op de gepaste woorden: “illuminatio + mea” komt te vallen!
* Beide handschriften vragen duidelijk een ander afsluiten van het eerste “Alleluia” : waar die nu afsluit met –do dosire doredodo la-, wordt duidelijk –do dosire dodore la- gevraagd.dit laat ook de volgende zin in zuiver spiegelbeeld “tibi dixit” met de omkering -lare re- aanvangen!

Alleluia “Regnavit Dominus” :  – De Heer heerst over alle volkeren, God zit op zijn heilige zetel –
Het ontbreken van het neumenschrift wijst op een iets jonger bestaan, al komt het uit St Gallen.
Het “Alleluia” zet nogal grillig in met een soort pentatonisch opstijgen naar dominant la, om gewoon per climacus naar tonica re af te dalen. Het vervolg is een ritmische combinatie van 3 maal 5 noten:
een climacus gevolgd door een podatus. Het vers zet in met een reeks clivissen, wat het zingen van ”Regnavit” niet gemakkelijk maakt om mooi te zingen!  Veel benadering met de tekst is in die eerste zin niet te vinden: het minder belangrijke woord “super” wordt met een kwint de hoogte ingegooid en ”gentes” bereikt terug de tonica. De 2e zin is meer programmatisch te begrijpen: met een nieuwe kwintsprong wordt “Deus” in de hoogte gezongen. “sedes” – gaat zitten – daalt neer, en ”sedem”
– de zetel –staat laag op de grond!  “sanctam suam” herneemt het volledige Alleluia.

Alleluia “Non vos relinquam” : - Ik laat u niet als wezen achter, Ik ga, en uw hart zal zich verheugen –
Dit Alleluia met vers, is een mooi melodisch en technisch opgemaakt gezang.
Het “Alleluia” bestaat uit een laag motief met slechts 4 noten: van do naar fa, gevolgd door een hoger motief, ook met slechts 4 noten: van fa naar sibé!  De hele zang blijft rustig, met dicht op elkaar volgende noten, binnen deze uitgestrektheid bewegen! De jubilus start met een kwintsprong, maar is verder iets verwant met het “alleluia”-motief dat voortdurend rond de noten –fa sol la- beweegt.
Dit wordt helemaal herhaald, maar het 3e deeltje neemt slechts de eerste 4 noten, om met een eigen motief af te sluiten. “Non vos relinquam” start met de 2 “alleluia”-motieven, maar “(or)phanos” brengt een nieuw motief: -fasolla sibéla- waarmee ook “vado” afsluit. Zelfs al begint “vado” met het eerste jubilusmotief, dit brengt een zekere weemoed, zachtheid in de melodie.  Het gaat hier ook om ‘weggaan’ en ‘als wezen achterlaten’.   “et venio ad vos” heeft een eigen zang: het ‘terugkomen’: van hoog  (de hemel) naar laag (de aarde). Ook het verheugen “gaudebit”  krijgt een wat getemperde stemming door het herhaald sibé” zingen en afsluitend met het motief van “orphanos”. Hier ook zijn de laatste woorden de volledige herhaling van Alleluia + jubilus.

Offertorium: “ Ascendit Deus” herneemt de tekst van het eerste Alleluia. Hier stijgt de melodie feestelijk naar omhoog met al de noten van de lage naar de hoge re, waarmee het hoogtepunt van de zang hier al bereikt is! – God is opgestegen in gejubel -  Dat gejubel is overduidelijk te zingen in “iubilate”, dat met de herhaalde do’s crescendo dient uitgevoerd te worden.  Mooi klinkt “Dominus” van de 2ezin, die de kwintsprong re la herhaalt en ook geniet van herhaalde hoge do’s, om wat verrassend met een kwart op sol en fa terecht te komen.  Aan “in voce tubae”  - de stem van de bazuin – werd ook goed aandacht geschonken, “voce” – de stem –krijgt een soort stemoefening van hoog naar laag en “tubae” eindigt als bazuingeschal met 2 maal de torculus fa sol fa. Het eerste alleluia”,
dat verwant is met dat van Pasen,  zet de melodie vlot verder met typische 1e modusmotieven.
De oude handschriften vermelden dit offertorium voor de zondag na Hemelvaart!  Wat nu in het graduale als “ad libitum” vermeld staat:  ook “ Viri Galilaei”, blijkt het oorspronkelijke offertorium te zijn geweest.  Veel gelijkenissen met die zang zijn te vinden in het offertorium “Stetit Angelus” (610)
van het feest van de H. Michael (29 sept)

Communio “Pater, cum essem” : is een gezang waar de componist, spijts de lange tekst, vooral naar evenwicht heeft gezocht tussen de twee delen waarin hij de tekst bewerkte. Het eerste deel sluit af met een “alleluia” ,waarmee het gezang ook identiek zal afsluiten! Het tweede deel vangt aan met “nunc autem” en brengthet hoogtepunt op “venio”.
Christus brengt bij de Vader verslag uit van zijn zending, met een eenvoudige begroeting: “Pater”  -toen Ik bij hen was, bewaarde Ik hen die Gij Mij gegeven hebt -  Het is ons moeilijk te begrijpen waarom bij deze eenvoudige tekst de melodie opgewekt de hoogte ingaat, waar een rustig verhalende sfeer verwacht wordt!  Het streven van de componist, naar gelijkvormigheid tussen de twee delen, kan hier de oorzaak van geweest zijn. Ook “nunc autem” neemt onmiddellijk de vlucht naar het echte hoogtepunt, met do op woordaccent “venio”!
Het 1e deel brengt ons vanaf “ego servasti eos”  in de meer verwachte, onderdanige sfeer en het afsluitende “alleluia” zal ook als slot van de zang herhaald worden.
Het 2e deel: - maar nu kom ik naar U toe. Ik bid U niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van het kwaad – “nunc autem” herneemt gedeeltelijk de melodie van “Pater” en neemt onmiddellijk de vlucht naar het echte hoogtepunt, met do op woordaccent “venio”. Hierna daalt  “non rogo” rustig af naar “mundo”.  Het nazinnetje “sed ut serves” is min of meer een herhaling van “(ro)-go ut tollas eos de mundo”.