6e paaszondag

Introitus “Vocem iucunditatis” :  - Laat een stem van vrolijkheid weerklinken, laat het horen, alleluia.      Laat het horen tot aan de grenzen van de aarde: de Heer heeft zijn volk bevrijd, alleluia. –
Waar wij reeds een 5-tal weken van Pasen verwijderd zijn en doopleerlingen tweemaal de aandacht vroegen met “Quasi modo”  en “Cantate Domino”, krijgen wij vandaag toch het meest blijde feestlied als introitus te zingen. De eerste zin is een levendig tweemaal op- en neergaan van de melodie. Merkwaardig dat hier iedere nieuwe neum  begint met de laatste noot van de vorige neum! De 2e zin laat “nunciate” beginnen met exact dezelfde noten als de eerste zin. Het woord “usque” zorgt door de hoge kwartsprong voor spanning, om het hoogtepunt “extremum”, ook dank zij de 2 herhaalde clivissen en de hoge mi, in volle glans te zetten!  Het is beter het ademhalingsteken te verplaatsen tot na “usque” , zo wordt de zin mooier gehalveerd gezongen!  Na alle gejubel zet de slotzin een stapje achteruit. Rustiger en dankbaar klinkt het “liberavit Dominus populum suum” – de Heer heeft zijn volk verlost – Tenslotte zorgen de alleluia’s voor een nieuw gejubel.  Het eerste, met “su-um” erbij, vindt zijn oorsprong bij “et audiatur” en het tweede is een wat eindeloos spel van op en neergaande neumen.
Deze melodie werd goed gebruikt voor “Gaudens gaudebo” (628) van het feest van de Onbevlekte  Ontvangenis van Maria, en vroeger minder goed voor “Sermo meus” van het feest van Antonius Maria Zaccaria (5 juli).

Alleluia ”Exivi a Patre”:  een zang van iets jongere leeftijd die in de oude handschriften niet voorkomt.      Van de Vader ben Ik uitgegaan en in de wereld gekomen. Weer verlaat ik de wereld en ga naar de Vader.  Het alleluia is een rijke, vloeiende melodie, die inzet op de hoge dominant re en overwegend in het hoge register verblijft. De jubilus herneemt het eerste hoge motief van “(al)-le-(luia)” om met een eerste, gevolgd door een tweede afdaling, op tonica sol te eindigen.  Wat heeft de componist aangezet om de twee zinnen van het vers zo te bewerken?  Beide zinnen hebben toch een heel eigen karakter:
De eerste, waar het gaat om de komst naar de aarde, lijden en dood: wat droefheid oproept.
De tweede, waar het gaat om hemelvaart en verheerlijking: daar schijnt hij zich niet om bekommerd te hebben en bewerkte de tekst uitsluitend met motieven uit het alleluia! Tenslotte werd het afsluitende
“ad Patrem” de volledige herhaling van “(Alle)-lu-ia) + jubilus.

Alleluia ”Ego vos elegi”  heeft zijn geschiedenis!  Wij vinden het in het “commune apostolorum” (429), waar het komt van het feest van St Barnabas (11 juni) en St.Jacob (25 julli). En dit is een aangepaste versie van het origineel, die in de handschriften voorkomt:”Iusti epulentur”, te vinden in het “commune martyrum” (461). 
De melodie van het alleluia wordt gevolgd door een eerste motief dat herhaald en uitgebreid wordt, om met een eigen slotmotief te eindigen.  – Ik heb u in de wereld uitgekozen om op tocht te gaan -   De eerste zin werd mooi aangepast aan de originele melodie. ”Ego”, - Ik, de Heer- wordt met een paar pressussen plechtig ingezet. Aandacht kregen de woorden “elegi” (gekozen) en “eatis” (gaan).
De tweede zin: - om vruchten af te werpen die blijvend zullen zijn -  “fructus” wordt met de herhaling van een mooie kwintsprong re-la (wat in het origineel niet voorkomt!) en de hoge do duidelijk in de belangstelling gebracht. Tenslotte herneemt “vester maneat” de volledige alleluia-zang.
Daar de oude neumen het duidelijk aantonen, is het beter het alleluia aan te vangen met- re mi fa-
in de plaats van –re fafa- !

Offertorium “Benedicite gentes”:– Zegent, volkeren, de Heer, onze God, verneem zijn lofzang die mijn ziel tot leven bracht en mijn voeten niet deed wankelen.  Gezegend zij de Heer die mijn gebed niet heeft afgewezen,  mij zijn barmhartigheid niet heeft onthouden, alleluia. -  Een rustig gezang van dank-
baarheid, zo wat in de geest van het introitus van Pasen! Het staat ook in de 2e modus met de beperkte toonruimte die hoofdzakelijk wentelt tussen re en la. Fa domineert werkelijk het hele gezang en verschijnt dikwijls als bistropha en tristropha, wat tempovertraging en sleur kan teweeg brengen, wat zeker niet mag: de zang vraagt een vlot, blij en dankbaar zingen! Na een mooi opstijgen beweegt heel de eerste zin zich rond de kernnoten re-mi-fa. De tweede zin: “qui posuit” mag blij de hoogte ingaan: het gaat om het tot leven brengen van de ziel! Hierna wordt naar het eerste klimaat terug gekeerd, met uitzondering van “(misericordiam) suam” die de componist terecht wilde belichten.

Communio (B) ”Ego vos eligi”  is het  oorspronkelijke communio van het feest van de martelaren Primus en Felicianus (9 juni).  Ook hier, zoals in het tweede alleluia, een zingen in de 1e modus.
Waar de zang in het alleluia waardig en laag begint, start de zang hier met een hoogtepunt. “Ego”,
het is de Heer zelf die van uit de hoogte spreekt naar de aarde toe, in twee mooie dalende zinnen! 
Na het plechtige “Ego” daalt tekst en melodie rustig af naar tonica re met “mundo”, een mooie dalende lijn, die best zonder onderbreking gezongen wordt. Heel eenvoudig, als een gewoon meedelen, gaat de zin verder.  Ook de 2e zin kent dat hoge beginnen met “et fructus”,  en het gewoon afdalen met “maneat” naar eindnoot re.