5e paaszondag

Introitus: “Cantate Domino” : – Zing voor de Heer een nieuw lied, want Hij deed wonderen.  Voor het aanschijn van de heidenen heeft Hij zijn gerechtigheid geopenbaard. alleluia. -  In “Quasi modo” ging het om de nieuw-gedoopten  die moesten verlangen naar het hemels voedsel. Hier worden die bekeerde heidenen nu aangemaand om voor de Heer te zingen!   Merkwaardig is de gelijkenis tussen beide gezangen.
Ze staan in de 6e modus.  Het motief van “Cantate Domino” keert terug bij ”fecit Dominus”, maar we zongen het reeds vroeger bij “sine dolo”!  En vergelijk maar eens twee zinnen die perfect  de zelfde melodie hebben: - (nomen) alleluia: quia mirabilia fecit Dominus, alleluia”  met  “(infantes) alleluia: rationabiles sine dolo”!    “Cantate” heeft een mooi groeiend verloop: het start met 4 noten en besluit de eerste zin met 5.  Bij “mirabilia” worden het er 6 en de laatste zin eindigt met 7 noten.  De 3 zinnen sluiten af met “alleluia” waarvan 1 en 3 gelijk zijn. De 2e zin sluit met een dalende kwart de tekst plechtig af. Zo kan de 3e zin omgekeerd met een kwart opstijgen naar “gentium” en het hoogtepunt op “suam” bereiken, dat in het eerstvolgende “alleluia” herhaald wordt. Het motief van “mirabilia” kan geïnspireerd zijn door “(si)-bi dextera eius” van het psalmvers.

Alleluia “Dextera Dei” werd vroeger gezongen op witte donderdag met volgend psalmvers erbij: “non moriar, sed vivam”. Dit gezang,(vroeger gezongen de 3e zondag na Driekoningen en Witte Donderdag) , wordt nu gezongen als offertorium op paaszaterdag (194) enbenadert heel wat meer de tekst, dan hier bij het Alleluia! Uitbundig bijna klinken de woorden “fecit virtutem” – “exaltavit me” en “opera Domini”.    Nu sterven en verrijzenis herdacht zijn, kunnen we de tekst hier Christus in de mond leggen: “ De rechterhand van de Heer heeft kracht uitgewerkt en heeft mij verheven.”  Vandaar misschien: een meer serene benadering.
Het Alleluia is weer typisch voor de 4e modus: een afwijking naar de 1e modus waarmee “Allelu-“ aan-
vangt, om als 4e modus met “-(lu)-ia”  en jubilus verder te gaan. Er dient opgemerkt dat de eerste lettergreep –Al (leluia)– in het neumenschrift aangeduid staat met: -re quilisma mi fa mi re- in plaats van -re fa rere do-! Het hele verloop van het vers is zuiver 1e modus met eenvoudige bewegingen tussen tonica re en dominant la. Met- la- start “Dextera” , om met “Dei” op –re- te eindigen en “fecit virtutem” een arsis-thesisbeweging te laten maken.  Het afsluitende “exaltavit me”  is gewoon de herhaling van het Alleluia met de jubilus.   En is dit een toeval?   “(dex) –tera Domini”  is heel juist terug te vinden op de woorden ”Cantate Domino” van decommunio van de 3e paaszondag!(222)!

Alleluia “Christus resurgens”is een speciaal gezang. Het werd oorspronkelijk gezongen op Pasen zelf en, zoals gebruikelijk, ontstond uit deze melodie van het begin van het vers: -re do re fa sol fa mi re – de sequentia “Victimae paschali laudes”.  Een andere bijzonderheid is dat het alleluia + jubilus een aaneen-
schakeling is van allerlei motieven waarmee het vers werd opgebouwd. Het woord “Alleluia” is gewoon een 2 maal opstijgen en dalen. De jubilus beweegt met verschillende motieven rond dominant la om tenslotte met een wat verrassende kwartsprong op tonica re te eindigen. Het vers is volledig met die motieven opgebouwd:  “Christus” = ”Alle-(luia)  /  “resurgens” =  “ –luia”  + deeltje jubilus  /  “ex mor-
tuus” = (Allelu)-ia” + deeltje jubilus  /  “iam non moritur” =  middenstuk en slot van de jubilus. De 2e zin met “mors” gaat zijn eigen weg: geen treurnis om die dood, neen, Christus heeft de dood overwonnen!
Het wordt een 2 maal juichen met een kwartsprong, een bereik van een septiem en een mooie afsluiting met een hoge torculus.  Met een reeks climacussen  wordt bij ”illi ultra” de tonica terug bereikt en “non dominabitur” is de herhaling van Alleluia + jubilus.

Offertorium “Iubilate Deo universa terra” is een der mooiste gezangen, zeker het allermooiste offertorium! “Iubilate” – Jubel! –  is één uiting van feest, van vreugde, van jubel: het mooiste feestlied dat origineel voor huidige zondag geschreven werd, maar dat we ook reeds op de 1e zondag na Epiphania: “Omnis terra” (260) ,met kerstvreugde, mochten zingen!  - Juicht God toe, heel de aarde, zing een lofzang voor zijn naam. Kom en hoor, ik zal u vertellen,  gij allen die God vreest, wat de Heer voor mijn ziel heeft gedaan, alleluia. 
Het begint al met een uitzondering: een eerste zin die herhaald wordt, wat in geen ander offertorium voorkomt.  Het eerste “Iubilate” start in de 1e modus met de kwintsprong
-re la sibé- ons bekend van o.a. “Gaudeamus”.  “Deo” daalt mooi neer, maar “universa” levert de noten sol en do, de basisnoten van de 8e modus, die de hele zang verder zullen beheersen!
Het tweede “Iubilate” is een juichen zonder einde: van de lage do tot de hoge fa! Beide zinnen sluiten af vera”“psalmum dicite” voor wat rust. De 3e zin zet met “Venite” onmiddellijk in met een nieuw hoogtepunt dat in het kleine woordje “et” herhaald wordt.  “omnes” herneemt het motief van “nomine”.  Met de laatste zin “quanta fecit” wordt het 8e modusklimaat verlaten om rustiger in modus 1 te eindigen.

Communio ”Ego sum vitis vera”: - Ik ben de ware wijnstok en gij de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vruchten, alleluia.  Een oud gezang dat uit de vergeethoek gehaald werd, lang als misgezang niet meer voorkwam, maar wel in de oude handschriften genoteerd staat. Wat de zanger onmiddelijk  opvalt, is de treffende gelijkenis met de communio:”Ego sum pastor”. Inderdaad, één moet als model voor de andere gediend hebben, want met uitzondering van de alleluia’s zijn alle motieven van de een in de andere terug te vinden. Waar bij “Ego sum pastor” de belangrijke woorden “Ego” en  “pastor” door een pressus bewust aandacht krijgen, wordt dat hier met Ego + vitis” herhaald. Dat is wel in het neumenschrift duidelijk terug te vinden! In ons graduale vinden wij echter een verkeerde noot la op “vera”, waar de neumen klaar (zoals in vorig gezang) ‘levare’ - stijgen- vragen!  Zo wordt “vera” terecht gezongen met –si re do re- in plaats van –la re do re-! 
Het is een leuke bezigheid om alle puzzelstukjes van het ene gezang in het andere gezang op te sporen!