4é Paaszondag

Thema:  De Goddelijke barmhartigheid  -  De goede herder

Introitus: “Misericordia Domini” : - De barmhartigheid van de Heer vervult de aarde. Op Gods woord is de hemel gevestigd -  Voorheen op de 2e paaszondag gezongen, is dit een zang die mooi opgebouwd is in een rustige 4e modus.  De 1e zin heeft fa als spilnoot, de 2e zin heeft sol en het psalmvers mag juichen , “exsulate”! met de noten la en si. “Misericordia Domini” : de herhaalde kleine secunde-afstand mi-fa vraagt om het woord wat zacht en iets week te benaderen.  De tristropha van “plena” schijnt op volheid te wijzen, en met een terts op “est terra” en het opstijgen naar la in “alleluia” komt er meer  beweging.  Het opstijgen naar sol met 2 kwartsprongen bij “verbo Dei” brengt meer leven in de tekst, die in “firmati’ zijn hoogtepunt vindt.  De zang wordt afgesloten met 2 “alleluia’s” die in de paastijd soms bij het introitus van de 4e modus voorkomen. Zie: 239.

Allelluia:”Redemptionem”.  Alleluia’s verhuisden nogal gemakkelijk van feest of kalenderdag. St Gallen
zong “Redemptionem” op donderdag na Pinksteren. Einsiedeln noteerde het gewoon achter in het boek.
Het eenvoudig “alleluia” met ééndelig jubilus is vooral bekend uit de kersttijd. Het wordt gezongen op Kerstdag zelf en op Epiphania, soms ook op heiligenfeesten (634). Waar bij deze laatsten de melodie aan het vers aangepast werd, heeft ons vers hier een eigen melodie. “Redempionem”  - De Heer zond zijn volk verlossing – Het eerste woord heeft een mooie stijgende lijn, “missit” vormt het hoogtepunt en “Dominus” daalt rustig neer: gewoon één arsis-thesisbeweging.  “in populo suo” is, buiten de vier eerste noten, gewoon de herhaling van het “allelua”.

Alleluia: “Ego sum pastor bonus” komt van een origineel gezang: “Mirabilis Dominis” (462) van het feest van de martelaren Marius, Martha,Audifax en Abachum (19 jan.). Het “Alleluia” stijgt rustig op van re naar la en daalt met het eerste deel van de jubilus terug naar re. Met do-mi-sol ,van het groot tertsakkoord  van do, wordt het 2e deel ingezet.  Het vers: - Ik ben de goede herder -  “Ego sum pastor bonus” vangt aan op de hoogste noot: dominant la, en klinkt als een rustige mededeling binnen de afstand la en re, met één enkele sibé als uitzondering.  Het feit dat de tekst hier groter is dan het origineel, wist men eenvoudig op te lossen door de zin met “et cognosco oves”  gewoon door de daarop volgende zin “et cognoscunt me meae” volledig te laten herhalen!

Offertorium: ”Deus, Deus meus”:  - God, mijn God, tot U waak ik bij het morgenlicht, en in uw Naam zal ik mijn handen opheffen - : een psalmtekst onder het thema: de goede herder. De tekst kan de verrezene zelf in de mond gelegd worden!  Het eerste woord “Deus” is op zichzelf afgewerkt. “Deus meus” gaat naief-eenvoudig met 3 noten verder. Bij “de luce” zien we als het ware het morgenlicht verschijnen en de stralen verspreiden  met een motief dat we zingen in het “vidi aquam” (waar het gaat over het vloeiend water); en in het offertorium “Inveni David” (447) (waar het gaat om vloeien van olie!)  De 2e zin gaat hogerop met een mooi melisme, om “nomine” af te werken en met een tristropha op “tuo” ,om te benadrukken : “ die naam van U”!  Het laatste deel herneemt de eenvoudige sfeer van het begin: als het ware een spelletje van de 2e modus tussen tonica re en dominant fa.  Ook het afsluitend “alleluia” ontkomt er niet aan, al mag die even naar do en sol gaan!

Communio: “Ego sum pastor bonus”(wordt in één adem gezongen)  - Ik ben de goede herder - Christus zelf spreekt ons met die woorden aan, en 3 maal klinkt het met de pressus: -mimi fa- heel nadrukkelijk: “Ego” – “pastor” – “(bo)-nus”: - Ik ben de goede herder! -   Merkwaardig dat, zoals in het “Alleluia”, “cognosco” en “cognoscunt” op dezelfde manier bewerkt zijn. “Cognosco” wordt echter melodisch tot over “oves meas”  uitgewerkt in de omvang van een sekst, wat heel terecht het hoogste punt van de zang vormt: - (Ik ken) mijn schapen! - 
Het laatste fragment: “et cognoscunt me meae”  - en zij kennen Mij – klinkt wat nederiger, met niets dan eenvoudige secunden, enkel met de noten mi-fa-sol.  Veel lof kan de herder zichzelf niet toezingen, daarom wordt afgesloten met een heel eenvoudig diep neerbuigend  en terug opstijgend “alleluia” .