Hoogfeest van Pasen

Het introitus van Pasen zet niet in met trompetgeschal en stormachtig gejuich!  Het is de verrezene zelf die tot de Vader spreekt! De taak is volbracht en Hij behoort terug tot de goddelijke heerlijkheid met de Vader!  In de sfeer van de nachtmis op Kertsmis waar de Vader de geboorte van de Zoon aankondigde, spreekt hier nu de Zoon de Vader aan: - Ik ben verrezen en weer bij U –
Resurrexi”, met slechts een paar noten: re fa, klinkt als een intieme mededeling en de werkelijke dominant van het stuk: fa verschijnt er voor het eerst als tristropha. Iets wat nog 7 maal herhaald wordt als een soort zacht vreugdevol gesidder.  “et adhuc tecum sum” klimt een toon hoger: mi sol en het afsluitend “alleluia” horen we best de Heiland zelf zingen!  Terugvallend op fa wordt nu de veilige zekerheid van Gods bescherming bezongen: - Uw hand hebt Gij op Mij geplaatst – Een rustige melodie brengt die zekerheid tot uitdrukking. De woorden ”super” en “manum” herinneren wat aan  het vorige  “alleluia”. Hierna klinkt de laatste zin feestelijker met de sekstafstand –do la-
- Wonderbaar is Uw wijsheid – Met een mooie majeurklinkende arsis-thesis komt “mirabilis facta est” voor, en  2 maal de hoogste noot la bereikend, sluit “scientia tua” af. In de zelfde sfeer volgt het “alleluia” hier op. Het 2e “alleluia” is gewoon de herhaling van het “alleluia” van de eerste zin.

Graduale ”Haec dies”: - Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt! Laat ons daarom jubelen en ons verblijden.  Looft de Heer want Hij is goed. Eeuwig duurt zijn barmhartigheid – In het introitus sprak Christus met de Vader. Hier jubelt heel de Christelijke gemeenschap en looft de Heer! Geschreven  in de 2e modus, en op allerlei teksten aangepast, naar het model van het graduale “Tecum principium” van de nachtmis op Kerstmis, wordt de zang met “Haec dies” wat dromerig ingezet, om met “quam fecit Dominus” blij op dominant do terecht te komen. -“exsultemus” is een wat vergrote versie van “luciferum” (42).   ”et laetemur” blijkt hier een klein tussenvoegsel te zijn, om met “in ea” de slotcadens van “(ge)-nu-i te” (42) ook te herhalen.
Het vers is een echt lof zingen naar de Heer toe. Bij “quoniam” bereikt het jubelen een hoogtepunt:
Van de lage naar de hoge sol! Het volgende woord “bonus” sluit de zin af met iets van dankbaarheid en bewondering. De laatste woorden “misericordia eius” zijn op een klassieke formule gebouwd.
Zie (42) en (671).

Alleluia ”Pascha nostrum” : - Ons paaslam Christus is geslacht – Het werk van verlossing is volbracht.
Hier wordt het nu echt danken en juichen met een eigen gezang. De “alleluia” –melodie in de 7e modus, is opgebouwd tot 5 noten over het 1e jubilusdeel: de hoge mi. Hierna daalt ze naar tonica sol.
Het 2e deeltje herneemt een kwint hoger de- re mi re- en kent de zelfde afdaling. Deel 3 blijkt wat onzeker: springt toch eens een kwint op en neer om dan rustig te eindigen.  “Pascha nostrum” dient eerder dankbaar en liefdevol, wat zachter ingezet te worden. Bij “immolatus est” mag het een jubelen zonder weerga worden in de hoogste regionen van de modus! Het woord “Christus” sluit de zang af met wat ingekorte jubilusdeeltjes, met uitzondering van het laatste.

Sequentia”Victimae paschali” . De sequientia is een ‘vervolg’ op de alleluia-zang: een dichterlijk, strofisch en syllabisch benaderen van feest of viering van de dag, die vaak begint met de startmelodie van het alleluia. Ontstaan in de Xe eeuw, kende het een vlugge verspreiding alom: bronnen spreken van een 400tal bekende gezangen, andere van 1000 en 4000! Na het zingen werd het ook de bron van uitbeelden en acteren inde kerk: het mysteriespel! Het concilie van Trente (1550) bracht dit gebruik terug op 5 gezangen en een voorlaatste concilie op 4, met weglating van het “Dies irae”!

Victimae pascali” komtvan Wipo (+1048), priester bij Koenraad II en Hendrik III van Bourgondie.
Het ontstond dus uit het voorgaande “alleluia”: wat hier niet klopt!  Het leert ons wel dat het komt van het “alleluia,“Chistus resurgens”, het oorspronkelijke paas-alleluia, dat verplaatst werd naar de huidige 5e paaszondag en duidelijk begint met de noten –re do re fa sol fa mi re –.
De eerste 4 en de laatste 2 verzen brengen een dankbare hulde aan Christus, de verlosser. 
Het middendeel is een gesprek tussen Maria Magdalena en de apostelen, over de verrezen Heer!
De verzen 2 en 3 hebben dezelfde melodie. Vers 4: de vraag naar Maria toe, start laag en vers 6 zal dit herhalen. Vers 5 keert terug in vers 7. Tenslotte herhaalt vers 8, gedeeltelijk vers 2.

Offertorium “Terra tremuitis een feestelijk, majestatisch gezang maar heeft, naar de tekst toe, ook iets angstaanjagend! Na de Zoon in het introitus, wij zelf in het alleluia, komt de Vader nu aan de beurt! Hij, die zijn Zoon naar ons toestuurde als zoenoffer, zal daarover op het einde der tijden rekenschap komen vragen! “Terra tremuit” – De aarde beefde en werd stil toen God rechtstond voor het oordeel – Een mooie compositie, bestaande uit 2 zinnen met alleluia, geschreven in een zuivere
1e modus, al duidt de voortekening  de 4e modus aan, en eindigt het stuk dus op mi.
Beide zinnen en alleluia beginnen met re, komen halverwege op dominant la terecht om terug op re te eindigen. Langzaam vangt “Terra tremuit” aan, om wat verrassend een eerste hoogtepunt te bereiken op het kleine woordje “et”, en decrescendo met “quievit” te besluiten  (zie ook “terra” p44).
De tweede zin: - wanneer Hij zal opstaan – “dum resurgeret” wordt duidelijk gezongen en dat het met “iudicio” ernst is, wordt met de kwintsprong op “in” nog duidelijker gemaakt.  Het eerste deel van het alleluia is een mooie 1e moduszang. Het tweede deel lijkt een spelletje tussen de basisnoten re en la, dat tenslotte op mi eindigt.

Communio: “Pascha nostrum”  - ons paaslam Christus is geslacht, alleluia. Laat ons een feestmaal houden met ongezuurde broden van gerechtigheid en waarheid. Alleluia.
Waar de eerste zin  reeds hoog jubelend in de 7e modus in het alleluia gezongen werd, klinkt het hier in de lage tessituur do-la van de 6e modus, als een rustig overwegend communielied.
Overwegend in kleine samengevoegde beweging verloopt dit gezang.De eerste zin laat “Pascha” met een porrectus eindigen en het eindwoord “Christus” doet dit na . Een zeer eenvoudig “alleluia” van  enkel drie tonen –fa sol la- behoudt hier de rust.
Wat verrassend mag de tweede zin beginnen met een wat meer melismatisch “itaque”. Kenmerkend terug voor het gebruik van de porrectussen gaat het met “epulemur” en “azymis” verder, terwijl de hoedanigheidswoorden “sinceritatis” en “veritatis” met kalme twee-notengroepen vervolgen.
Twee “alleluia’s”, in rustig op-en-neergaande beweging, voeren  naar hoogtepunt sibé, en sluiten af.