Palmzondag


of beter, zoals het graduale thans vermeldt: “Dominica in palmis – de passione Domini”

Een groter paradox bestaat er moeilijk tussen de triomfantelijke intrede in Jeruzalem met  glorie, lof en eer, hosannageroep en gezwaai met palmtakken voor de  Zoon van David, en ….. het  verstommen van al die jubel, eenmaal de palmprocessie  de kerk is binnen getreden. Hier voelt de Heer zich van allen verlaten en kan zich slechts smekend tot de Vader richten!

De plechtige palmwijding, vroeger een soort kleine mis met lezingen en tussenzangen, kreeg na het laatste concilie een inkrimping, met grote muzikale verminking! Gelukkig wordt nu nog begonnen met het jubelende “Hosanna filio David”, dat veel gelijkenis vertoont met een oud-Griekse melodie uit de tweede eeuw vóór Christus!

“Collegerunt” en “In monte Oliveti”, die na het juichende “Hosanna”, de dreigende woorden van hogepriester Caifhas en het angstig smeken van de Heer in de Olijfhof bezongen, kwamen te vervallen!  De palmuitreiking werd afgeschaft, de gelovige bedient zich zelf van palm bij het binnenkomen:  hierdoor komen nog 5 antifonen te vervallen! De uitreikingzang “Pueri    Hebraeorum” werd gelukkig behouden als processiezang!

Het oorspronkelijke introïtus: Domine, ne longe facias” kwam ook te vervallen en werd vervangen door het responsorium Ingrediente Domino. Dit gezang, dat veel gelijkenis vertoont met het responsorium ”Emendemus” van Aswoensdag (66), bezingt nog eens het hele feestelijke gebeuren, maar dan wordt het alle ernst! Kyrie en Gloria vallen weg en graduale en tractus komen omgekeerd aan bod.

Tractus ”Deus,Deus meus”: – Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? – Een smekende psalm 21 van een wanhopige die zich tot de Heer richt! Het eerste woord “Deus” wordt met de soberheid van slechts twee maal 4 noten over een hele lijn smekend uitgezongen. Met de psalmintonatie van de 2e modus wordt dit woord nu vlot herhaald en, over “respice in me” heen, wordt met aandrang gezongen:”quare me dereliquisti”! De meeste verzen hebben een beperkte stemomvang. Het hoogtepunt, met sibé,  wordt bereikt met het vers “Libera me de ore leonis” – bevrijdt mij uit de muil van de leeuw.


Het graduale “Christus factus est werd vroeger gezongen op witte donderdag. Het is een mooi gezang met een dubbel karakter. De eerste zin – Christus was gehoorzaam tot de dood – wordt gezongen met de laagste noten van de fa toon, de 6e modus, om de tragische inhoud van de tekst duidelijk naar voor te brengen. Het 2e vers “propter quod Deus” – waarom God Hem zal verheerlijken -  is een uitbundig gejubel op dominant do en de hoogste noten tot sol van de 5e modus.  Toch bestaat er twijfel of die prachtige zang wel oorspronkelijk voor deze tekst geschreven werd, daar het handschrift van St Gallen de lange melismen op “illum” en “nomen” slechts met een paar tekens aanduidt, wat er kan op wijzen dat de zang reeds van een andere tekst gekend was. In aanmerking hiervoor kunnen de gradualen-zangen van Sint Sylvester:”Ecce sacerdos magnus” (486) en “Exiit sermo” van Sint Jan (636) gediend hebben. Hoe dan ook, de tekst”Christus factus est” is met deze zang uitstekend verklankt geworden.

Het offertorium “Improperium brengt een compleet ander verhaal dan het feestelijke gebeuren van vandaag: de man die door groot en klein bejubeld werd, klaagt nu om zijn volledige eenzaamheid, verlatenheid en bespotting. “Improperium”: - Hoon verwacht mijn hart en gejammer, en Ik wacht op wie met Mij bedroefd is en er is er geen; en een trooster, en Ik vind er geen. Ze geven Mij gal tot spijs en azijn te drinken -  Geschreven in de sol-modus beginnen de meeste zinnen met fa, wat voor een soort ontwrichting van het toonkarakter zorgt.  “Improperium”   klinkt diep vernederend tot aan de lage do.  Met “miseriam”wordt de zin afgesloten met een typische 8emodusformule.


Met wat meer beweging ontstaat bij “et sustinui” een klagend motief dat een drietal herhalingen zal kennen: - si si re dodo si -: op “qui simul”, “fuit” en “(con)-solantes”. Met twee tertssprongen (sol-si-re) bij “et”, en een overtuigend breed zingen bij “non fuit” wordt deze zin met duidelijke teleurstelling afgebroken.  De volgende zin:- ik zoek die Mij zou troosten – laat “consolantem me” beginnen in kopie van “sustinui”. Met een nieuwe dubbele tertsbeweging op het volgende woordje “et”, wordt een nieuwe “non” hoger en breder uitgezongen om moedeloos met “inveni” te eindigen. Met eenvoudige secundengangen gaat de zang mooi verder tot het woord “fel” – gal – dat met gewenste verbreding wat uiting van afschuw blijkt te geven.  De laatste zin:”et in siti mea” gaat in machteloze verontwaardiging naar een nieuw hoogtepunt, om met het woord “aceto” – azijn - , en door een driemaal herhalen van –dodo la- hier ook wat afschuw te kennen gevend, de zang te besluiten.

Communio”Pater is een juweeltje van eenvoud en emotie. Wanneer Hij zich van allen verlaten voelt, blijft Hem maar de mogelijke hulp van de Vader meer over. Breed smekend weerklinkt het “Pater” en hoofdzakelijk syllabisch klinkt de wat nutteloze, hopeloze vraag: - Kan Ik van die kelk verlost worden?  Maar neerbuigend klinkt het besluit: “fiat voluntas tua” met rustig neerdalende drie notengroepen.