Heilige Familie

Waar dit feest oorspronkelijk als votiefmis op de 3e zondag na Driekoningen voorkwam, later op de zondag binnen het octaaf van Driekoningen, wordt het thans gevierd op de zondag binnen het octaaf van Kerstdag en kreeg het nieuwe, aangepaste gezangen.

Introitus “Deus in loco”: zie 17e zondag door het jaar

Graduale “Unam petii”: is afkomstig van de vrijdag na aswoensdag. Zie ook de 30e zondag door het jaar (blz 127 van dit boek). -Een klein iets heb ik de Heer gevraagd en blijf ik verlangen, te wonen in zijn huis. Om de luister van de Heer te aanschouwen en beschermd te worden door zijn heilige tempel- Bijna kinderlijk eenvoudig klinkt de vraag: “Unam petii” -slechts een klein iets- en “Domino” vervolgt met een eenvoudig zangerig melisme. Aandringend, op twee hoge noten -la en do- klinkt “hanc requiram”. Iets van een zalig verlangen heeft “inhabitem” met een gebonden lijn. De pressus op “domo” stelt zo het woord in de belangstelling en met een mooi melisme sluit “Domini” af. Klassiek voor een graduale neemt het vers onmiddellijk een vlucht hogerop. Voortdurend op- en neergaande is de zang van “videam”. De nazin komt wat tot rust, om de 2e zin met “protegar” lang en versierd te vervolgen, zij het slechts met de hoge noten -do re mi-. Kalm en lager start de nazin syllabisch met “a templo” om rustig melodisch met “eius” te eindigen.

Alleluia “Gaudete iusti”: komt van het feest van de heilige apostel Thomas. -Verheug u, rechtvaardigen in de Heer. De vromen past het zijn lof te zingen- Dit alleluia wordt ook gezongen op het feest van H. Onnozele Kinderen: ”Alleluia. Laudate pueri Dominum” (blz 215). De jubilusen het vers zijn verschillend! “Gaudete” start blij met een pressus en een kwartsprong. Ook “iusti” en “Do(mino)” krijgen met een pressus de aandacht. Twee pressussen op “re(ctos)” doen het woord iets eerbiedig klinken. “decet” heeft een melodie vol beweging en “collaudatio” herneemt het einde van het Alleluia + de jubilus.

Offertorium ”In te speravi”:zie 19e zondag door het jaar (blz 104 van dit boek)

Communio ”Fili, quid fecisti” -Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Ik en uw vader zochten U met droefheid. En waarom hebt gij naar Mij gezocht? Wist gij niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?- Dit evangelisch gebeuren, een gesprek tussen moeder en Kind, wordt bijna gesproken gezongen. De 1e zin is de vraag van de moeder: “Fili” klinkt angstig, bezorgd, en een kleine boog eindigt met “sic”. Met de noten –re- en -fa- van “Fili” begint ook de nazin “ego” -ik, Maria- die door pressussen de aandacht krijgt.  “Dolentes” klinkt treurig en vraagt om traag gezongen te worden. De 2e zin is het, schijnbaar wat minder beleefd, antwoord van het Kind: -Waarom moest gij mij zoeken?- “Quid” herneemt de noten van “tuus” maar “est” en “quod” dienen met hun enkele noot trager gezongen te worden. “Nesciebatis” maakt indruk met het hoogtepunt en si hersteld. Ook “Patris” krijgt belang met een tristropha op de hoogste noot en ”mei” klinkt wat opgewekt door si hersteld. “oportet” krijgt met een kwartsprong ook wat aandacht.

Communio (A): “Tolle puerum” -Neem het Kind en zijn moeder en trek naar het land Israël, want zij die het Kind naar het leven stonden zijn niet meer!- Dat kreeg St.-Jozef van een engel te horen en zo kwam een einde aan hun ballingschap. Dat meldt ons vandaag het evangelie. Dit communio is planmatig gebouwd. Het bestaat uit 2 zinnen waarbij de twee laatste woorden in een zelfde beweging en op dezelfde noten eindigen! Beide zinnen beginnen ook met hetzelfde –sol-la-do- motief. De 1e zin belicht “puerum” en “matrem”, waarvoor de handschriften ‘leniter ’vragen: bevallig! Best wordt die voorzin in één ademhaling doorgezongen. De nazin, met “et vade” die met de pressus wat aandringend klinkt, eindigt met een eenvoudig vlot zingend melisme op “terram” en “Israël”. De 2e zin laat na “defuncti” de melodie vlot opstijgen naar –mi- met “enim”, om met ”quaerebant” -zij die Hem zochten- de hoogste noot fa te bereiken. Het afsluitende “animam pueri”  herhaalt de melodie van “terram Israël”.