Allerheiligen

In de jonge kerk bestond reeds vroeg een feest voor alle heilige martelaren, op 31 mei, in de paastijd.
Maar in de IXe eeuw werd een nieuw, algemeen feest ingevoerd. Voor nieuwe teksten werden oude melodieën gezocht en aangepast.

Introitus “Gaudeamus”: werd genomen van het feest van St Agatha (5 febr.) - Laat ons blij zijn in de Heer - Met de fameuze kwint-sekstsprong - ook wel eens de Gotische sprong genaamd (vd Goten) - opent “Gaudeamus” feestelijk, “omnes in Domino” vervolgt rustig wentelend rond dominant la.
“diem festum” beweegt wat lager rond de noot fa, om 2 maal naar do op te stijgen: bij “honore” en
“Sanctorum”. Met “honore” verschijnt een motief: -solsol ladola sol- dat 2 maal herhaald wordt bij “solemnitate” en “collaudant”.   De 2e zin: “de quorum” zet heel eenvoudig in, om 3 woorden goed naar voor te brengen: “solemnitate - angeli - collaudant”. Heeft “angeli” iets neerbuigends, de andere woorden gaan blij op- en neerwaarts.  Op te merken valt ook de manier waarop enkele zinsdelen met een porrectus gevolgd door een aansluitende clivis eindigen: “(Do)mino” - “(an)geli” en “Dei”. Het stuk werd ook van een nieuw, aangepast psalmvers “Exsultate” voorzien.

Graduale “Timete Dominum”:  komt van een verdwenen heiligenfeest van Cyriacus en Secundus.
-Vrees de Heer, al zijn heiligen, want niets ontbreekt hun die Hem vrezen. Zij toch, die Hem zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. - Waar een graduale steeds uit 2 delen bestaat en het 2e deel vaak in grotere, hogere tessituur meer voor solisten werd geschreven, blijven beide delen hier binnen dezelfde toonomvang en eindigen met precies dezelfde slotformule die even afdaalt naar la! De 1e zin bestaat uit twee halfzinnetjes die “Dominum” en “eius” gelijk laten eindigen. De opstijgende kwart van “omnes” zien we in “quoniam” terugkomen. Hoog en nadrukkelijk wordt “nihil” gezongen -niets zal ontbreken!- (vgl. “nihil”, intr. 3e adventszondag). Het tweede deel geeft met “Inquirentes” een soort angstig op en af, her en der zoeken weer, om bij “autem Dominum” melodisch tot rust te zijn gekomen. En zoals dit eerste deel besluit met een speciale formule, die klinkt als een geruststellende belofte, eindigt ook deel twee op dezelfde manier: “omni bono” -al het goede- zal je krijgen!-.

Alleluia “Venite ad me”werd voor dit feest geschreven. Is dus iets jonger, maar werd zeer zangerig uitgewerkt. -Kom allen tot mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, en ik zal u verkwikken.-
Een blij Alleluia klinkt speels tussen de noten -sol do-. Een jubilus bestaat uit vier deeltjes: 1) stoeit verder tussen sol en do, 2) springt de hoogte in, 3) brengt een mooi gebonden motief dat 4) verder uitwerkt. Het vers “Venite ad me” klinkt echt uitnodigend -Kom tot mij!- en “laboratis” geeft het uitgeput zijn weer, met het lang melisme van hogere en lagere wendingen met maar liefst 52 noten! Als een gewichtige mededeling klinkt het woordje “et” met 5 noten verder hoog, om naar tonica sol af te dalen en met “onerati” de zin te besluiten. Het vervolg bestaat uit motieven van alleluia en jubilus.

Offertorium “Iustorum animae”kan de melodie gekregen hebben van het offertorium “Stetit angelus” (610) van het feest van St-Michaël, maar ook het offertorium “Viri Galilaei”, misschien het  oorspronkelijke van het O.L.Hemelvaartfeest, start met de zelfde melodie gelijk “Justorum animae”. Ook de eindzin, vanaf “quemadmodum”, heeft exact de zelfde melodie van “illi autem”…hier!

-De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand en de folteringen der bozen kan hen niet deren.
In het oog der dwazen schenen zij te sterven: zij echter zijn in vrede, alleluia.-  Het gaat dus om een tekst die aan een melodie aangepast werd! De eerste zin: “Iustorum animae” komt van een engel die voor de tempel stond. De overdadige tertsenbeweging bij het kleine woordje “et” van de tweede zin komt van de wierook die de engel bij zich had! Het vervolg en ook de derde zin bezingen gewoon de activiteit van het aanbrengen van de wierook, wat laag in de modus gebeurt.   

Onze tekst, waar het gaat om foltering en sterven, kent hier toch een goede aanpassing. Het eerste zinnetje zingt rustig bevestigend: - de zielen zijn in Gods hand met de woorden “animaeen “Deus” in op- en neergaande beweging. Verder krijgt het woordje “et” (bij “Stetit Angelus”  als een wierookwalm bedoeld) hier een onnodige luxe! Het breed zingen van “tanget illos” maakt de tekst belangrijker, die voortdurend laag om tonica re beweegt. De laatste woorden “Insipientium mori” hebben zelfs iets aangrijpends. De laatste zin is een groot contrast met de vorige. Gelijk de wierookwalmen hier opstijgen in de oorspronkelijke tekst, zo walmt ook de melodie van laag naar hoog, als een opzien naar de heiligen die nu de vrede kennen!

Communio “Beati mundi corde”bezingt drie zaligprijzingen met hun gevolgen. Het gezang is zeer mooi systematisch opgebouwd. Het eerste “beati” begint op dominant la en plaatst “mundo corde” met twee notengroepen hogerop. Telkens wordt met “quoniam” verder gegaan. “Deum videbunt” eindigt op tonica re en laat het tweede “beati” hiermee rustig (het gaat om de vredelievenden) op de drie laagste noten zingen. Met “filii Dei” wordt echter do bereikt en met de slotformule van de eerste zin, maar een terts hoger, op fa geëindigd. Met twee tertssprongen trekt het derde “beati” onmiddellijk hemelwaarts -zalig zij die vervolging leiden- “qui persecutionem” vraagt wat bijzondere aandacht: het zijn vooreerst twee woorden, en het lange syllabische woord dient zo legato mogelijk gezongen te worden, met slechts de steun van het woordaccent. Ook deze zin eindigt zoals de tweede zin op fa. Het vervolg op de tekst vormt de vierde zin, die het “quoniam” van de eerste zin herneemt om rustig de tekst te overwegen: “voor hen is het rijk der hemelen”. Dat gebeurt terug in de sfeer van de eerste zin, waarvan het ook met de zelfde slotformule zal eindigen.