9e zondag door het jaar

Introitus “Respice in me”:- Zie mij aan en heb medelijden, Heer, want ik ben eenzaam en arm: zie mijn nederigheid en mijn vermoeidheid; en vergeef mij alle zonden, mijn God. - Een tekst van drie verzen die nederig om bijstand en vergiffenis vraagt, werd in een 2e modusgezang bewerkt.
Zin 1 begint met “Respice” zoals we “Requiem” weten beginnen: een breed beleefd vragen, dat opstijgt met “miserere mei”, en “Domine” met tonica fa laat eindigen.  De nazin trekt de hoogte in:
“unicus” herhaalt het motief van “Respice” maar een kwint hoger. Het vervolg stelt vragen: “dat ik arm ben” wordt met het blijde bimbambom-grote tertstrio uitgejubeld? Het gaat hier wel om de zinsbouw: zoals “Respice” door het hogere “miserere” gevolgd wordt, zo leidt het “pauper sum” de zang hier 2 maal naar het hoogtepunt mi , en laat de 2e zin van do naar do, een hele toonladder afdalen. Het nazinnetje mag met “meum” op tonica fa eindigen. De 3e zin wordt volledig door fa, in de laagte beheerst.  Leuk om te zien hoe “omnia” -fa re do- en “peccata” -do re fa- zich in spiegelbeeld opvolgen!  Terug wat hoger, wat smekend, wordt ”Deus tuus” gezongen en met de bekende formule van “luceat eis” uit de Requiemmis wordt ook hier met “(De)us meus”  geëindigd.

Graduale ”Iacta cogitatum”:- Werp uw zorgen op de Heer en Hij zal u behoeden. - Dit is een mooi , levendig gezang die schijnbaar de zekerheid van Gods bijstand blij uitzingt. “Iacta cogitatum” - werp uw zorgen - dat schijnt “cogitatum tuum” met een gooi naar de hoge fa al te willen uitbeelden! “Domine” vraagt om plechtig gezongen te worden en “et ipse te” daalt in thesisvorm omlaag met bekende formules van de 7e modus. Met moeilijke toonafstanden en grote sprongen wordt met “enutriet” geëindigd en gaat het vers met “Dum clamarem” in die moeilijkheidsgraad verder. Het roepen naar de Heer, de Allerhoogste, brengt “Dominus” naar de hoogste noot sol!  “clamarem” vindt zijn herhaling in “(exaudi)vit” en in “his”. Het slotwoord “mihi” is de herhaling van “(nutri)et” met een afsluitend melodietje.

Alleluia “Deus iudex”: - God is een rechtvaardige rechter, machtig en lankmoedig. Kan Hij iedere dag vertoornd blijven?  Een eenvoudig “Alleluia” wordt gevolgd door 4 schijnbaar afzonderlijke jubilus-
deeltjes, die allen op sol eindigen. Het eerste start laag, het tweede begint met -fasolla dola-, het derde begint op de zelfde manier, maar bereikt het hoogtepunt mi. Het eerste fragment wordt best dicht bij het “Alleluia” gezongen en eindigt met een dubbele noot. Fragment 2 en3 horen ook samen en eindigen ook met een dubbele noot die hier best kort gehouden wordt, want 4 start op dezelfde manier. Men draagt zorg dat de opstijgende lijnen toch wat breed gezongen worden,  zoals de neumen vragen, maar niet té traag, want het is een lied van groot vertrouwen!  De 1e zin van het vers wordt beheerst door de noot sol. Dat de Heer een rechter is, wordt door “iudex” met een tristropha naar voor gebracht.  Het woord “iustus” schijnt met 4 lage noten en verdere hoge noten uit 2 motieven te bestaan en die komen in “fortis” en “patiens” terug. De 2e zin: over het dagelijks toornig zijn, heeft een grilliger zang en laat “dies” eindigen met de 3 laatste jubilusfragmenten.

Offertoruim “Sperent in te”: - Mogen allen die uw Naam kennen op U hopen, Heer, want nimmer verlaat Gij hen die U zoeken. Zingt voor de Heer die op Sion woont, want het gebed van de armen heeft Hij niet vergeten.-  Een eenvoudig gezang dat uit 4 zinnen bestaat waarvan zin 1, 2 en 3 slechts 5 noten gebruiken: 1 gaat van sol naar re, 2+3 van fa naar do. Enkel 4 heeft met 7 noten een meer bewogen verloop. Die eenvoud zorgt voor intimiteit, een zang die een rustige zekerheid brengt van een vertrouwen in de goede herder die voor zijn kudde zorgt. “Sperent” begint met het motief clivis + porrectus: -solla dosido- dat terug zal keren bij “nomen”, (quae)rentes” en “psallite”. Het hele gezang bestaat uit zinnen en halfzinnen waarvan de meeste met sol beginnen en eindigen, wat meer de sfeer van de 7e modus oproept.  Met de 3e zin wordt op fa geëindigd en met de 4e zin, die op mi begint en eindigt komen we in de zuivere 3e modus terecht.  Bemerk het herhaalde motief waaruit “habitat” bestaat en dat in “in Sion” verder uitgewerkt wordt.

Communio “Ego clamavi”: - Ik roep U aan, Heer, wanneer  zult Gij mij verhoren. Luister naar mij en hoor wat ik zeg. - Weer een heel expressief communio dat laag begint, geleidelijk naar het midden toe in de hoogte blijft zingen en even geleidelijk afdaalt in slechts 2 zinnen: dit vormt één grote arsis – thesisbeweging!  Met de eerste  halfzin “Ego clamavi” blijkt de zanger te zingen dat hij de Heer heeft aanroepen  en rekent op verhoring, al klinkt “clamavi” wel wat hulpeloos. Het motief van “Ego” -fasol solla- laat de nazin “quoniam” starten en “exaudisti” vlot hogerop ontwikkelen. De tweede  zin “inclina aurem tuam” klinkt hoog en blij. De zang klinkt helemaal niet smekend, maar hoopvol en met zekerheid van verhoring. Met “exaudi verba”  wordt een stapje achteruit gezet en met “verba mea” wordt wat minder geestdriftig geëindigd.