7e zondag door het jaar

De gezangen komen heden van de vroegere 1e zondag na Pinksteren, de zondag waarop sinds 1335
ook het feest van de H.Drievuldigheid gevierd werd! De eerste mis zal wel de oudste geweest zijn.
Ze had eigen gezangen naast 2 vastengezangen voor offertorium en communie.

Introitus “Domine”is een zang nog uit de blijde paastijd waarin dankbaarheid en bewondering tot uiting komen: - Heer, op uw barmhartigheid heb ik gehoopt. Gejuicht heeft mijn hart om Uw heil
Zingen zal ik voor de Heer, die mij weldaden schonk -  De eerste zin zet rustig in met enkel de noten tussen tonica fa en dominant do. Met slechts 3 noten wordt “Domine” - de Heer – aangesproken
Op Uw barmhartigheid heb ik gehoopt – de melodie verheft zich met “misericordia” om juist als het volgende woord “speravi” te eindigen met de zelfde formule, eigen aan de V-modus: zie “Requiem”.
De 2e zin gaat jubelend de hoogte in om met “salutari” het feestelijk klokkengelui te laten horen:
bim,bam,bom,  mi,re,do,   een wending die we ook kennen van “servasti vinum bonum” (263)  en
“generatione”(384).  De 3e zin klinkt terug onderaan de modus:”cantabo Domino” – ik zal zingen voor de Heer – Na het gejubel van de vorige zin klinkt het hier meer als een ernstige belofte: - het goede – “bona” kent nog een kleine opheldering en ook het slotwoord “mihi” eindigt met de klassieke slotformule waarmee tweemaal in de 1e zin geëindigd werd.

Graduale “Ego dixi”- Ik zei: Heer wees mij genadig, genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd. Gelukkig wie zorg draagt voor zwakken en armen: op de onheilsdag zal de Heer hem bevrijden. -
De inhoud van de tekst wordt hier goed melodisch vertolkt: “Ego dixi, Domine” klinkt als een zondaar die berouwvol de Heer aanspreekt. Twee porrectussen helpen om het klagen van “miserere” weer te geven. Gewichtig zet “sana” syllabisch in, maar “animam meam” vraagt een vlot verloop. Klagend klinkt “peccavi” met sibé, en “tibi” - (ik heb) tegen U (gezondigd)  - blijkt een opblikken te zijn naar de Heer in de hemel!  Het vers is een aaneenschakeling van motieven, eigen aan de 5e modus. Het slot schijnt duidelijk om een hernemen van het 1e deel te vragen: “(liberavit ) eum Dominus” eindigt op la, met juist dezelfde 2e modus-melodie van “non timebis” van het graduale uit de dodenmis. (671)!

Alleluia “Verba mea”  - Laat mijn woorden tot uw oren doordringen, Heer, sla acht op mijn roepen.
Een wat eigenaardige II-modus!  Het woord “alleluia” lijkt wat ongeduldig op en neer te staan drentellen voor de deur, met slechts 3 noten: do,re,mi.    Binnen in de jubilus wordt de trap opgestormd om met een sprong terug omlaag, met een motief te eindeigen dat in het vers op  “percipe”+ “(intel)-lige” herhaald wordt.  Met het slotwoord “(me)-am” wordt het volledige alleluia herhaald.

Offertorium “Intende voci”(vrijdag, 3e vastenweek): De tekst blijkt meer aan te leunen bij de vasten
maar de melodie is, af en toe, een moeilijke solfègeles met onvoorziene wendingen en afstanden!
De 1e zin: - Luister naar mijn bidden – “Intende voci” wordt laag, voorzichtig vragend ingezet.
“orationes” stijgt, langs herstelde si naar dominant do om wat verrassend op tonica fa te eindigen.
De 2e zin: “Rex + Deus” twee titiels, worden met eenzelfde herhaald motief eenvoudig, schijnbaar groetend bezongen. Het laatste woord “meus”, hoog en breed rond dominantnoot do, bezorgt een soort modulatie naar la.  De 3e zin stelt orde op zaken: ze doet de melodie terug op f beginnen, maar waar het gaat om – bidden – “orabo” wordt het een hoogst feestelijk jubelen met halve lijn do,re,mi-
Bim,bam,bomklokjes op “quoniam ad te”  Het woord “orabo” zelf maakt een wat verwarde indruk en het afsluitende “Domine” haalde inspiratie uit het woord “meus”, om met een verrassende kwintval te eindigen.

Communio ”Narrabo” (dinsdag, 2e vastenweek):  - Al uw wonderen zal ik verhalen. Verheugd en juichend zal ik uw naam prijzen, Allerhoogste! Een tekst die een melodie van gejuich en jubel verlangt, wordt hier echter door de 2e modus  wat minder uitbundig benaderd!
De 1e zin:”Narrabo”  - Ik zal vertellen – klinkt als een gewone aankondiging: “vertellen over die wonderen van U!”,  en U “tua” wordt dan wel bewonderend, versierd, hogerop gezongen.
De 2e zin bestaat uit 2 werkwoorden: “laetabor + exsultabo” waarvan het eerste model dient voor het tweede. Waar zin 1 met “tua” hoger eindigt, eindigt zin 2 omgekeerd laag met “te”, dat een soort diepe buiging wil maken voor de Allerhoogste!  De 3e zin, waar het woord “psallam” verwant is met “Narrabo”, gaat rustig verder, om bij “Altissimi” terug meer versierd, hoger op te eindigen! 
Dit in copy van “tua” uit de eerste zin!