5de zondag van de vasten


Deze vroegere “passiezondag”, die met uitzondering van de communio “hoc corpus”, al de oorspronkelijke mooie gezangen heeft behouden, en buiten de lezingen, niets met de aanstaande passie te maken had, werd misschien met reden nu deze titel ontnomen.


Introïtus “Iudica me Deus”: – oordeel mij, mijn God – en bepleit mijn zaak tegen een onheilig volk. Ontruk mij aan de ongerechtige sluwe mens, want Gij zijt mijn God, en mijn sterkte. – (laat ze mij leiden naar de berg met Uw sterkte) – Kan de Heer zelf, met lijden en dood voor ogen, die tekst niet gebeden hebben?
Een blik op de zang doet ons opmerken dat er 3 zinnen zijn, waarvan de eerste en de laatste zin op dezelfde manier eindigen. Ook de tweede zin eindigt met eenzelfde motief, maar wel een kwint hoger!  Het is een voortkabbelende zang zonder grote toonafstanden. Middenin valt het hoogtepunt in het oog: “eripe me” – help mij -! De tekst heeft een dubbele inhoud: een vraag om bescherming en een overtuiging van Godsvertrouwen. Met wat smekend vragen wordt “iudica me” ingezet. Laat ons het kleine woordje “me” toch voldoende waarde geven! Met de enige kwartsprong wordt de hoogste noot do met “causam” bereikt, die een paar keer herhaald wordt om dan met een mooie thesis de zin te eindigen. De 2de zin kent in de eerste halfzin “ab homine iniquo” een herhaald, rustig opstijgen. Bij “et doloso” – de valse mens- gaat het wat angstiger hogerop, om bij “eripe me” bang, hoogst uit te schreeuwen en op de hoge afsluiting -dodosisi- onvoldaan te eindigen. De 3e zin met de nieuwe tekst “quia tu es Deus” brengt onmiddellijk de rust terug en besluit, na een neerbuigend zingen bij “Deus meus”, met dezelfde slotformule dus van de eerste zin.

Graduale “Eripe me neemt de hoofdgedachten van het introïtus over: verlossing van de vijanden “inimicis meis” en het hulpgeroep “eripe me” –red mij- waarmee hier begonnen wordt. Waar sprake was in het introïtus van “Deus meus et fortitudo mea”, wordt hier de “liberator meus” toegezongen! Geen hoog geschreeuw hier voor “eripe me”, maar eerder een onderdanig, nederig smeken, dat na “Domine”, met “inimicis meis” – mijn vijanden - de melodie de hoogte injaagt. De vervolgzin “doce me facere” – leer mij Uw wil doen – klinkt terug wat meer rustig verzoekend, maar “voluntatem tuam” wordt breed uitgezongen.

Tractus “Saepe gaat ook over beproevingen en vijanden waarvan de Heer ons weet te redden: Dikwijls bestookten ze mij – “saepe expugnaverunt me” wordt iets klagend met sibé en brede notenwaarden gezongen. Dit wordt gevolgd door “a iuventute mea” – vanaf mijn jeugd- met het blijde karakter van de 8e modus, steeds met de si hersteld. De 2e zin is een herhaling van de 1e zin.
a iuventute” wordt perfect herhaald, maar “me” neemt een hogere vlucht, tot mi, om toch ook gelijk de 1e zin te eindigen.

Offertorium “Confitebor is een mooi opgewekt gezang waarbij men zich kan afvragen hoe dit gezang vele eeuwen op “passiezondag” kon gezongen worden? Het bestaat ook uit drie zinnen, waarvan eerste en laatste, analoog met de introïtus, met hetzelfde motief eindigen! Het zet plechtig in met de zogenoemde gotische kwint, (sekstafstand) ons bekend van “gaudete, rorate en jubilate”.
-Ik zal U belijden, Heer, uit heel mijn hart- Na de sprong van “confitebor” blijven we “tibi Domine” in de hoogte toezingen. Het weglaten van de sibé laat het hier nog vreugdevoller klinken en kan gewettigd zijn! Met “in toto corde”, de noten -fa la do- van ons fa-groot akkoord, waardoor de zang meer gaat klinken als een majeur 5e modus, dan een wat meer mineur 1e modus. Merkwaardig is de afsluiting van de 1e zin: het woord “meo” eindigt op de clivis - mi re -, maar liet de 1e noot mi vooraf horen. Ook de 3e zin eindigt zo met “Domine” en de 2e zin eveneens, maar een terts hoger: op “tuos”:
- sol sol fa-! Het 1e deel van de 2e zin klinkt als een vriendelijk verzoek: “retribue servo tuo” – zorg voor uw dienaar-. Het vervolg hierop:  - ik zal leven en Uw geboden onderhouden – “vivam et custodiam” is de herhaling van het motief van “Domine”! Met “(sermo)nes tuos” sluit de zin af met een finale van de 6e modus. (zie “Requiem”).
De laatste zin: - schenk mij leven naar Uw woord, Heer - blijft nog wat in de blijde fa toon verder klinken: “vivifica en “verbum” herhalen het -fa-la-do-motief van “in toto”. Met “tuum Domine” wordt rustig, gelijk de 1e zin geëindigd.

Communio (B) ”Qui mihi ministrat”- Wie Mij wil dienen moet mij volgen, waar Ik ben zal ook mijn dienaar zijn - De tekst komt van de mis voor een martelaar en is een fragment van het evangelie.
In het vriendelijk -fa la do- klimaat van de 5e modus spreekt de Heer: Wie Mij wil dienen, “mihi” wordt met verbredingen, plechtig gezongen en verder wordt “me”, Mij te volgen, ook breed en tot de hoge noot re gezongen. “sequatur” eindigt de zin met -do la fa-. Omgekeerd, met -fa la do- gaat de 2e zin verder, maar laat “ego”, Ik, de Heer!, opstijgen naar de hoge fa. Na het mooie melisme van “illic”, wordt het woordje “et” ook versierd gezongen, om “minister meus”, mijn dienaar, schijnbaar diep te laten neerbuigen tot de lage do!  “meus erit” besluit met een versierd -fa la do- motief.