5e zondag door het jaar

Van de oorspronkelijke gezangen blijft enkel het offertorium behouden en in het A-jaar nog het communio.  Waarom het mooie introitus “Exsurge” verbannen werd naar dinsdag van de 2e vasten-week. Dit zal wel met de huidige lezingen te maken hebben!

Introitus ”Venite, adoremus”: van quatertemperzaterdag van september, is een blij gezang, spijts de beperktheid van de 2e modus, hier getransponeerd naar tonica la. – Kom laat ons God aanbidden,
voor de Heer verschijnen – “Venite” klinkt eenvoudig uitnodigend en met “adoremus” stijgt de zang
de hoogte in naar “Deus”  - God, in den hoge! – “procidamus” herhaalt de melodie van “adoramus” en “Dominum” wordt ook hoog toegezongen.  De 2e zin,– wenen wij bij Hem, die ons schiep –
gaat verder met de spilnoten la en do. Bemerk dat de 3e zin, “quia ipse est” de juiste herhaling is van vorig “ploremus”.

Graduale “Tollite hostias” : komt van donderdag na passiezondag. - Neem offers en treedt binnen in zijn voorhoven; aanbid de Heer in zijn heilige plaats. De Heer heeft de wouden ontbladerd en in zijn tempel zullen allen zijn roem verkondigen. -  “Tollite hostias” start met een herhaaldelijk op- en neergaan van de lage noten -la sol fa-, maar “introite”, het binnenkomen, klinkt hoger opstijgend verwelkomend, en “atria eius” zingt mooi verder. De 2e zin zingt hoger, uitnodigend “adorate Dominum” , maar vervolgt in de sfeer van het begin om met een bekende formule af te sluiten.
Het vers is volledig opgebouwd met typische motieven van de 5e modus die o.a. te vinden zijn in “Timebunt gentes” van de 3e zondag door het jaar.

Alleluia “Laudate Dominum” : is een mooi gezang, dat uit de laagte vloeiend hoger komt, om in de jubilus de stijgende tred verder te zetten! De afkomst van het gezang is een raadsel! Het schijnt terug van de zolder gehaald! Het kwam niet meer voor in ons vroegere graduale, noch in de oude vatikaanse uitgave van 1800. Toch is het een oud gezang dat voorkomt in de oudste handschriften!
Het heeft een heel eigen melodie en kent geen herhaling in het huidige graduale.  Het eenvoudige vers “Laudate Dominum” vangt aan gelijk het alleluia, kent een hoogtepunt op “collaudate” – prijst Hem – om “populi” met de volledige jubilusmelodie te besluiten.

Offertorium “Perfice gressus : Om de melodie te benaderen, in de strenge IVe-modus, dienen we eerst de tekst te begrijpen: een psalm, waarin koning David zich (na een negatieve belevenis?) voor de Heer vernedert en Hem smeekt om barmhartigheid.
De zang bestaat uit 3 verzen die allen met een vragend werkwoord beginnen: “Perfice, inclina, mirifica” – bevestig, buig neer, maak wonderbaar - .
Vers 1: - Bevestig mijn schreden, opdat mijn voetstappen niet wankelen – Bemerk het rustig stappen bij het woord “gressus” en de dankbare toon met hoogtepunt bij “semitas”.
Vers 2; - neig uw oor naar mij en luister naar mijn woorden - . Wat meer nadrukkelijk klinkt het smeken bij “inclina”. De melodie van “aurem tuam” wordt met “et exaudi” herhaald,  en met het
slotwoord “mea” wordt naar de re-toon gemoduleerd.

Vers 3: - maak wonderbaar uw barmhartigheid, Gij die redding biedt aan wie op U hopen!
“Mirifica” zal in het introitus van Pasen precies zo klinken op het woord “mirabilis”! (p196).
De toon van de laatste zin heeft iets van meer berusting, meer innigheid en het afsluitende woord “Domine” is de melodische herhaling van slotwoord “mea” van de eerste zin!

Communio (B): “Multitudo languentium” komt van het feest van St. Fabianus (paus) en
St. Sebastianus (martelaar), 20 januari. - Een menigte zieken en zij die door onreine geesten werden gekweld, kwamen tot Hem; want er ging een kracht van Hem uit, die allen genas. -  Kenmerkend voor dit gezang is de manier waarop elke zin of halfzin op dezelfde manier, een gepunte clivis, eindigt, wat voor een rustig zingen zorgt. Het hoogtepunt van de 1e zin krijgt het belangrijkste woord “languentium” - de zieken -. Met een tristropha worden de woorden “vexabantur” - werden gekweld  “spiritibus” - (onreine) geesten - en “veniebant”  - kwamen tot Hem - belangrijk gemaakt.  Terecht krijgt “virtus”, de kracht (die van Hem uitging), met sibé het hoogtepunt van het hele gezang.  Zoals “eum” eindigt, eindigt ook “exiebat”. Overtuigend, met wat breder maar rustig melisme, besluit “sanabat omnes”.
Nb: waar in alle gradualen, het woord “exibat” van de laatste zin, met 5 noten op het woordaccent
– i – voorkomt, voegt het huidige graduale-triplex de letter  - e- toe aan het woord “exiebat”! Hierdoor wordt het woordaccent met één noot diep achtergelaten en krijgt de nieuwe letter de mooie viernoten-wending! Een betere mogelijkheid brengt het Graduale Cisterciense, die het woordaccent – e – laat beginnen met –remifa- en er nog de climacus –miredo- aan toevoegt!
“Quod est veritas”?