4e zondag van de vasten

Laetare Ierusalem”  geeft ons een voorsmaakje van de paasvreugde, met de klanken van het laatste deel van het eerste alleluia van paasnacht: -sol do la si lala sol-  Zoals “Gaudete” de vreugdezondag is van de advent, zo is “Laetare” de meer uitbundiger vreugdezondag in de vasten!   Met uitzondering van het alleluia en het offertorium, komen alle teksten van psalm 121, waarin Jeruzalem en Sion lof toegezwaaid worden.

Introitus “Laetare”:  - Verheug u, Jeruzalem. Kom allen samen die haar liefhebt. Juich van vreugde allen die eens hebben getreurd. Wees opgetogen en geniet van de overvloedige troost die u geboden wordt. - “Laetare” zet in lijk een plechtige ouverture: -fa sibé sol la sol fa-!   “Jeruzalem” vormt een brug naar het feestelijk klokkengelui van “conventum facite”: het vreugdemotief dat we kennen van “in salutari tuo” (278) en “pauper sum ego” (284). Het vervolg van de zin zet een stapje achteruit en laat sibé de hoge toon voeren en met een klassieke slotformule eindigen. Zin 2 is een nieuwe uitnodiging tot vreugde met “gaudete”, maar vlug tempert de sibé de verdere tekst met een soort onvoldaanheid dat met “fuistis” eindigt. Met zin 3 wordt het dolle vreugde, met een nieuw klokkengelui op “exsultetis”, de wat nieuwsgierig makende tristropha  van “et”, en het mooi versierde woord “satiemini” – verzadigd worden – van de goddelijke genade. “ab uberibus” hernieuwt het motief van “qui in tristitia”, en de zang besluit met de formule waarmee ook de 1e zin eindigde.

Graduale ”Laetatus sum”: de tekst die Dom Jean-Claire op zijn overlijdensbericht liet opschrijven en op zijn begrafenis liet zingen! – Ik verheug er mij over dat mij gezegd wordt: naar het huis van de Heer zullen wij gaan – Het 1e vers werd driedelig uitgewerkt. In zijn geheel: een grote arsis – thesis beweging! “Laetatus sum” kent een rustig begin rond boventoonnoot re. Het vervolg voert voort- durend naar hoogtepunt sol met een onrustige melodie met kwartafstanden. Met het 3e fragment “in domum Domini” keert de rust terug en wordt diep op de tonica geëindigd.
Tractus ”Qui confidunt, het inleidende vers van psalm 124, waarin hulde gebracht wordt aan Sion en Jeruzalem, werd aangepast aan een meer voorkomende 8e modusmelodie, ons vooral bekend door het “Absolve” van de Requiemmis. De keuze van de opgewekte modus blijkt hier geen slechte keuze te zijn: rustig beginnend op een drietal noten,-sol la si-, wordt bij “Domino” plots de sprong naar do gemaakt = het opzien naar de Heer! “Dixit” vormt de start voor het mooi bewerkte woord “Sion”! Verder wordt “non commovebitur” – niet wankelen –breed uitgezongen en met “aeternum” naar het hoogtepunt gebracht. 

Offertorium (C) ”Ilumina oculos meus”: wordt gezongen de 10e zondag door het jaar, voorheen op de  4e zondag na Pinksteren en oorspronkelijk op de zaterdag voor de 3e vastenzondag.
- Verlicht mijn ogen, dat ik niet sterf in de slaap, opdat mijn vijanden niet kunnen zeggen: ik heb hem overweldigd! -    Deze tekst, aansluitend bij het evangelie, kunnen wij zo in de mond leggen van de ‘verloren zoon’: het is een smeken om hulp bij verlatenheid en angst!   “Illumina” vangt iets weemoedigs aan en laat “oculos meos” met een viertal hoge sibé’s a.h.w. klagend verder gaan. Wat verrassend vervolgt “nequando” met de hogere noot do en “obdormiam” lijkt op een wat woelig inslapen, terwijl “in mortis” angst schijn weer te geven en eindigt met –solfami mi- zoals ook het eerste woord “Illumina” eindigt.  De 2e zin vangt ook met een “nequando” aan, dat als beginwoord hier wat meer melodisch geschreven werd. Verder zorgen de herhaalde hoge do’s voor weergave van angst en sluit “meas” af op fa, om duidelijk met de lagere noot re te kunnen vervolgen. “Praevaluit”,overwinnen, verslagen, kan niet duidelijker gezongen worden: ‘verslagen’ tot de laagste noot la van de modus!   Ook die zin, met “eum”, sluit af zoals de 1e zin met –lasolfa solfamimi- bij “morte”.

Communio (C) ”Oportet te”:  - Gij moet verheugd zijn, zoon, want uw broer was dood en is levend geworden. Hij was verloren en is teruggevonden. - Met die tekst eindigt het evangelie van de zaterdag van de 2e vastenweek. De communio laat een blijde vader, in een blijde 8e modus, zijn andere misnoegde zoon toespreken: uiterst eenvoudig, bijna volledig syllabisch! “Oportet te fili gaudere”, wordt na de kwartinzet -sol do- voorzichtig op de woordaccenten gezongen. Het woordje “te” dient geen punt te hebben en met de asterisk wordt geen rekening gehouden! Het volgend zinnetje “quia frater tuus” lijkt op de psalmaanhef en gaat verder op do zingen. Ook hier vraagt “(tu)us” geen verbreding! “et revixit” lijkt een soort finale en vraagt om trager gezongen te worden.“perierat” herneemt de wending van “(tu)us fuerat” en “inventus” dient om echt af te sluiten, goed breed gezongen te worden.