4e zondag door het jaar

De kerstperiode met al de gezangen van aanbidding is voorbij. Binnenkort stappen we de vasten-periode in.  Het introitus van vandaag is daar al een voorsmaakje van, het komt van de donderdag  uit de 4e vastenweek! Dat is een goede keuze, want de tekst spreekt enkel van blijdschap!

Introitus ”Laetetur cor quaerentium Dominum” – Verblijd is het hart van wie de Heer zoekt – Merkwaardig is het fijne gebruik van de 2e modus: onmiddellijk een vlucht van de laagste naar de hoogste noot! De tekst bestaat uit drie zinnen die allen de aandacht vragen voor “het zoeken naar de Heer”. De eerste zin “Laetetur cor” klinkt, vanuit de laagte, als een vaststelling. Daartegen krijgt het woord “quaerentium” – zij die zoeken – meer uitgebreid een plechtig hoogtepunt. De tweede zin begint al met “quaerite”, hier een bevel: - zoek de Heer en wordt sterk! – Merk op dat het woord “Dominum” omgekeerd eindigt in vergelijking met het begin van het aanvangswoord “Laetetur”.
Het “quaerite” van de derde zin klinkt meer als een eenvoudig aanbevelen. Dit woord eindigt zoals het vorige woord “Dominum”, re-doredo-la.  Met ”faciem eius semper” - zoek altijd zijn aangezicht – gaan we naar een nieuw hoogtepunt.  Bemerk dat het slot”(fa)-ci-em eius semper” precies eindigt zoals de eerste zin met “quaerentium Dominum” eindigt.

Graduale ”Quis sicut Dominus”komt van quatertemperwoensdag van september.
-Wie is als de Heer, onze God, die in den hoge woont en neerziet op wat gering is in de hemel en op de aarde? De behoeftige tilt Hij uit het stof en de arme beurt Hij uit het slijk -.
De vraag “Quis sicut Dominus” zingt echt als een vraag met een eenvoudige op- en neergaande melodie.  “Deus noster” vervolgt heel rustig, enkel op de noten -fa sol la-. Met “qui in altis habitat”
wordt plots terecht hoger gezongen. In de 2e zin maakt sibé “humilia” wat treurig, “caelo” zingt terug hoger en “terra” daalt diep af naar re onder de tonica! Het vers lijkt het ‘tillen uit het slijk’ met wat moeite te laten gebeuren door “suscitans”: een eerste fragment wordt herhaald, nogmaals deels herhaald, maar het laatste melisme lijkt een optillen te willen zijn van heel diep, naar heel hoog!  
In de laatste zin krijgt “stercore”, het slijk, ook aandacht door een hoger en breder zingen.

Alleluia:”Adorabo” komt van het feest van de kerkwijding. – Ik zal U aanbidden voor uw heilige tempel, en Uw naam loven! –
Dit alleluia: - Geloofd zij God - is een vrolijk zingen, God ter ere!  De melodie gaat vlot, kronkelend
de hoogte in en de jubilus maakt een korte buiging, maar gaat met voorname, blije stap verder.
Het vers “Adorabo” is (buiten dit eerste woord) meer een gejubel dan een aanbidding!
Na het neerbuigen bij “Adorabo” komt een eerste opgang bij “sanctum”: - (een) heilige (tempel) -.
Dan barst het los bij “confitemini” – prijzen (zal ik Uw naam)! -. Lijk slingerende wierookvaten in de tempel, gaat het twee maal prachtig de hoogte in, om te eindigen met hetzelfde slot als het begin-
woord: “Adorabo”.  “nomini” vervolgt rustig, om met “tuo” een nieuwe climax te bereiken en rustig te eindigen  met een slotformule eigen aan de modus!

Offertorium: “Bonum est confiteri Domino”– Het is goed de Heer te loven en psalmen te zingen voor Zijn naam. – De zang brengt ons naar Septuagesima, de eerste zondag van de “voorvasten”!
Dit offertorium bestaat maar uit 2 zinnen, elk uit 4 woorden!
“Bonum” , een eenvoudige inleiding, heeft een vreemd voorkomen want met de noten -fa-sol-la- hoort het meer thuis in de 6e fa-modus, dan in de 8e sol-modus! Hiermee gaat “confiteri” overtuigend, lovend en prijzend, de hoogte in, om met een rustig, maar iets versierd middendeel van “Domino” te eindigen.  In de tweede zin krijgen “psallere” en “nomini” speciale aandacht met een breed te zingen tristropha. De zin start weerom onder de toon: -fa-sol- met het kleine woordje “et”.   Met een nog hogere vlucht bereikt “psallere” hier de hoogste noot mi!   “nomini tuo” blijft cirkelen rond de hoge dominant do.  En met die hoge noot wordt aan de Allerhoogste, “Altissime” nog uitgebreid hulde gebracht.

Communio “Illumina faciem tuam” –Toon uw dienaar het licht van Uw aanschijn,  red mij door Uw barmhartigheid.   Heer, laat mij niet beschaamd worden, wanneer ik tot u roep.
Ook dit gezang is afkomstig van Septuagesima-zondag en laat ons reeds een typisch vastenwoord zingen: “misericordia” – barmhartigheid!   De eerste zin, een nederig smeken om het licht, gebeurt heel gepast met de laagste noten van de modus. De tweede zin, met “salvum” –red mij – stijgt hoger op, om bij het woord “tua” – Uw (barmhartigheid) – het hoogtepunt te bereiken.  De derde zin is een rustig afdalen naar tonica re. Wat smekend, verlegen wordt met “Domine” ingezet om met “non confundar” inderdaad diep beschaamd neer te buigen. De afsluitende halfzin is melodisch verwant
met de eerste zin: slechts de laagste noten worden ook hier gebruikt!