4e Adventszondag

De gezangen van deze zondag zijn, met uitzondering van Alleluia en Offertorium, niet origineel!
De oudste handschriften vermelden hier de gezangen van de quatertemperwoensdag (G29) vóór deze zondag!   Er had een ruil van gezangen plaats: Introitus “Rorate” en communio ”Ecce Virgo” kwamen van woensdag naar zondag. Omgekeerd kwam  intr. “Memento nostri” (G29) en comm. ”Veni, Domine” (G31) van zondag naar woensdag! Een slechte ruil is het niet geweest: de eerste gezangen zijn nog volledig gericht naar de komst van de Heer, terwijl de huidige 4e zondaggezangen , naast de komst van de Heer, ook Isaias’s grote voorspelling bezingt:  “Ecce Virgo concipiet” – Zie! De Maagd zal haar Kind baren! –

Introïtus “Rorate”: om dauwen en regenen te snappen, denken we best aan de Israëliërs die een bewondering hadden voor de wolken. Meermalen vertelt de bijbel  dat God aan iemand verscheen, gehuld in een wolk! Ook de bijbeltekst,  waar het gaat over het volk dat wandelt in de duisternis en de Messias verwacht. De aarde is duister en doods. Zonder licht geen leven. “Laat het regenen!” Het licht, de zon van de Messias  zal dan alles doen leven en bloeien! “Rorate caeli desuper”, de eerste zin, slechts 3 woorden, voert onmiddellijk naar het hoogtepunt -re-   Dit wordt best in één ademhaling, over de asterisk heen, blij gezongen te worden en zonder -sibé-. “et nubes “neemt een nieuwe aanloop  om bij “pluant iustum” vanuit de hoogte neer te dalen: - regenen op het hoofd van de rechtvaardige –.
Bijna bewonderend dient het opstijgend “aperiatur” gezongen te worden, om met “terra” op de grond van de modus te eindigen.

Graduale “Prope est Dominus” : - Nabij is de Heer voor allen die Hem aanroepen, voor allen die oprecht tot Hem bidden. Loven zal ik de Heer en alle vlees zal zijn naam prijzen. - Dit graduale heeft een speciale bouw. Het eerste deel staat duidelijk in de lagere modus 6, terwijl het vers pas in modus 5 te zingen is. “Prope est Dominus”, die klinkt als een zachte mededeling, zingt op –fa- met 2 afdalingen naar do. “omnibus” brengt de zang naar la en de melodie van “eius” weet dominant do te bereiken. De 2e zin laat “omnibus” terug naar -fa- afdalen, om “eum” op -do- te laten eindigen. Fa- heerst verder tot “veritate”, waar het eerste nazinnetje op - la- gezongen wordt en het tweede, schijnbaar als voorbereiding op de komende 5e modus even tot - mi- opstijgt!  Het vers wordt overtuigend door dominant -do- beheerst. “Domini”  krijgt rond -do- een mooi melisme. “loquentur” mag opstijgen naar fa, maar eindigt op -do la- die nog twee maal herhaald wordt in “os meum”. Met een bekende formule mag “et benedicat” uit de laagte opstijgen en “omnis” magterug- fa- bereiken, om “eius” met een eigen slotformule te eindigen.

Alleluia: de lofzang “Alleluia” kan zich moeilijk thuis vinden in deze iets strenge 3e modus. Vandaar dat er maar weinig in deze modus geschreven staan. Huidig “Alleluia” is een speciaal geval: het staat bewust in de 3e modus: het woord “Alleluia”begint met -mi- en eindigt op dominant -si-. De laatste lettergrepen, “(Al-le-)-lu-ia” vormen de aanzet voor de jubilus. De componist blijkt een voorliefde gehad te hebben voor vier op elkaar volgende noten : waar “Alleluia” eindigt met –sol la si do- ,komt dit ook tweemaal voor in de jubilus, die dan mag eindigen met –mi fa sol la-. Ook het vers begint met vier noten: -do re mi fa- op “Veni” en een antwoordmotief “-fa la si do- op “et”! Maar het vers schijnt helemaal niets met het Alleluia te maken te hebben! Het heeft alle eigenschappen van de 1e modus- re-, waarop voortdurend geland en gestart wordt. – Kom, Heer, en wil niet langer wachten. Verlicht de zondenlast van uw volk.-
“Veni, Domine” klinkt als een nietig opblikken naar de Heer, “noli tardare” als een aandringen, een afsmeken. “relaxa” kreeg een eigen afgewerkte melodie met slot op tonica –re- hier. “facinora”mag, met sibé, voor een lang melisme zorgen, dat wat klaagzangachtig aandoet! De laatste zin heeft niets van voorbereiding op de herhaling van het “Alleluia”: het eindigt met een klassieke slotformule, eigen aan het graduale van de 1e-modus! (zie 351-458-509)

Offertorium “Ave Maria” :  Waar de communio “Ecce Virgo” nogal plechtig de aanstaande geboorte meedeelt, brengt het offertorium, met lange melismen en de tekst van ons halve weesgegroetje, jubelend hulde aan de moeder Gods, Maria.
Dit is echte gregoriaanse belcanto-muziek, die ernstige studie vraagt om het goed en mooi te kunnen zingen. De oude neumen helpen ons hierbij op de juiste weg. En dit is niet zo eenvoudig!
Het eerste woord: “A(ve)” is al een probleem. De lange melodie op die eerste korte lettergreep, bestaat uit 2 x arsis en thesis, dus uit 4 deeltjes die 2 maal, in vraag en antwoord systeem, dienen gezongen te worden: De eerste vraag: de 5 eerste noten, het antwoord vanaf de daaropvolgende torculus. De tweede vraag: de 5 volgende noten en het antwoord begint ook met torculus.  Plechtig klinkt het woord “Maria” en met een herhalend motief wordt ook “Dominus” breed uitgezongenMet “benedicta tu in mulieribus” wordt het hoogtepunt bereikt, om met eerbied voor de tekst van de laatste zin, met de lagere klanken van de modus te eindigen.

Communio ”Ecce Virgo”:bezit veel gelijkenissen met de communio van de eerste adventszondag.
Beiden staan geschreven in de eerste modus-re, en hebben een zelfde melodisch verloop: een rustig lager
beginnen , gevolgd door een plotse pentatonische vlucht van de lage naar de hoge -re -. Vergelijk  benignitatus” met “et pariet”!  Afdalend wordt op tonica - re - afgesloten.  Lijk een verhaal begint, een mededeling gegeven wordt, zo klinkt het bij “Ecce Virgo concipiet “ De drie woorden worden liefst in één adem gezongen. Onmiddellijk hierop volgt het hoogtepunt: ”et pariet filium” – en zij zal een zoon baren! -. Het grote nieuws wordt uitgejubeld met de blijde oktaafbeweging van lage naar hoge -re-. Met  “filium” komt wat rust terug op dominant -la-, waarrond de volgende zin blijft wentelen.  “et vocabitur nomen eius” wordt best in één adem gezongen, om plechtig met de naam “Emmanuel” te kunnen eindigen!