3e Adventszondag

Deze genaamde “blijde” adventszondag “Gaudete” kan het niet halentegen de “blijde” vastenzondag “Laetare” die met een vrolijke kwartsprong  begint en hoog het blijde bim-bam-bom-motief laat horen!  Enkel het “Puer natus “ met de beginnende kwintsprong zal haar overtreffen!

Introitus “Gaudete”is een merkwaardig gezang in een typische adventssfeer: een geneigd zijn naar intimiteit en rustig uitzien naar de komst van de Messias.  De melodie beweegt zich binnen de enge ruimte van de 5 basisnoten van modus 1: van re naar la met één uitschieter: de -sibé-. Deze noot zorgt de hele zang door, voor een wat neerdrukkende stemming!  Na het woord “Gaudete” wordt best geademd, om vlot het vervolg naar “semper” – wees altijd blij - goed te kunnen uitzingen. Met de herhaling van de wens: “iterum dico” wordt de zin op tonica -re-  geëindigd. Een nieuwe start: “modestia vestra” – dat uw nederigheid aan alle mensen bekend mag worden – bereikt dominant -la-, om langs de -sibé- van “hominibus” op -fa- te eindigen.  Verder rondom de noot la klinkt het rustig overtuigende “Dominus prope est”!  Een bijna verrassende hoge  noot do verschijnt bij “Nihil”: - om niets moet je bekommerd zijn! -  De laatste zin klinkt helemaal onderin de modus: - Maak biddend, al uw verlangens aan God bekend! –

Graduale “Qui sedes” - Heer, die troont boven de Cherubs, wek uw macht, en kom. -  Weer een graduale die mooi de inhoud van de tekst bezingt:  - hoog zit de Heer -. “qui sedes” mag onmiddellijk opstijgen tot -fa-, en ja, Hij zetelt boven de Cherubs! “super” mag naar de hoogste noot  –sol- klimmen die met een pressus nog meer aandacht krijgt! Groot is het verschil met de 2e zin: een vragen om te komen met macht! “excita” begint laag op tonica sol en laat ”potentiam”  tot -re- afdalen. Speciaal is het diepe neerbuigen, met een vallende kwint bij “tuam”  en een wat verrassende –sibé- doet “veni”  beleefd vragend klinken. Het vers heeft een nog wat uitbundiger 1e deel, met het lange melisme van “regis” en een even lang afdalende zang van “Ioseph”  tot besluit.

Graduale (B)“Fuit homo”  - Er kwam een mens, een gezondene van God. Zijn naam was Johannes. - Dit graduale van de vigiliemis van Johannes de Doper staat zoals veel andere in de 5e modus en is aldus gemaakt met dikwijls voorkomende motieven van andere graduales. Zo speelt de benadering van de tekst hier een mindere rol. De 1e zin heeft als voor en nazin de bekende melodie van “Protector noster” (blz 292). De 2e zin stelt de zanger voor wat moeilijkheid bij het zingen van de stijgende en terug dalende kwart bij “cui nomen”.  Merkwaardig dat “hic venit” helemaal op de noten -fa la do- gebouwd is. Vanaf de aanvang is het vers ook gemaakt met bekende motieven.

Alleluia ”Excita, Domine,” is een mooi gezang. Het komt ook voor op het feest van de Engelbewaarders (blz 612), de 2e zondag door het jaar (blz 262) en op de feesten van O.L.H.-Hemelvaart en Pinksteren. Van dit laatste vermoedt men dat het origineel afkomstig is. Het begint overtuigend in de re-modus, om met een ritmische cadens:  12-123-123-123-12-12- mooi over de -sii-bé- tot rust te komen. Het laatste stukje van “(allelu)-ia” dient, herhalend, als start voor de jubilus, die nu wel op modustoon -mi- eindigt. Het vers “Excita Domine” - Verwek, Heer, uw kracht en kom om ons te bevrijden. - zou aan deze oorspronkelijke melodie aangepast zijn. Na de inzet “Excita”,  gaat “Domine” verder met de aanhef van het Alleluia. Met een dalende, afsluitende lijn naar re, komt “potentiam tuam” minder goed tot uiting! Heel overtuigend wordt het adventswoord “veni” gezongen, met een lang en hoger melisme. De slotwoorden “(faci)as nos” brengen een volledige herhaling van Alleluia met het jubilus.

Offertorium “Benedixisti” is een danklied:  - Heer, Gij hebt uw land gezegend, ons van de gevangen- schap verlost en ons kwaad vergeven. -  De eerste zin gaat over de aarde. Daarom wordt laag gezongen op de grondnoot van de modus -mi- bij het eerste woord. Bij “Domine” gaat het opwaarts  maar -si-bé- drukt wat de stemming,  en bij ”tuam” wordt weer rustig op -mi- geëindigd. (Een compositietechniek van de componist valt op te merken: in de eerste zin vinden we driemaal de pressusfiguur –fa-fa-re- en in de tweede zin –do-la-la-fa- en –do-la-la-sol- om te eindigen met –sol-fa-fa-mi-). In de tweede zin, waar het gaat over bevrijding van gevangenschap, wordt gemoduleerd naar de blijde sol-modus.  De derde zin brengt ons het hoogtepunt, de enige -re- op “iniquitatem”: - de ongerechtigheden van het volk, die vergeven worden! -

Communio “Dicite”  Dit eerste woord is geen plechtige verklaring, maar een stopwoordje in de aard van: “zeg” eens, hoe gaat het?  Het dient dus vlot en onnadrukkelijk gezongen te worden. Nu komt de aanmoediging : - Kleingelovige, weest sterk! – die ons onmiddellijk de hoogte injaagt, van de lage tonica -sol- naar de hoge -sol-!  Een grote vocale beweging die alleen maar hier voorkomt! “et nolite timere” die hier op volgt, klinkt geruststellend:  - je moet niet bevreesd zijn! – Met een eenvoudig opgaande en neerdalende melodie klinkt de belofte:  - Zie! De Heer zal komen – en met een zelfde beweging klink het:  - en Hij zal ons verlossen.- Een zeer mooi voorbeeld van beschrijvende muziek, waarbij de melodie optimaal de tekst tot uiting brengt.