3 zondag door het jaar

Introitus “Adorate Deum” - Aanbid God, alle engelen. Sion hoort het en is verheugd: Juda’s dochters jubelen. - De herders kregen de eerste kans, dan kwamen de koningen en nu komen de engelen aan de beurt om de Heiland te aanbidden.   De 1e zin, die “Adorate” uit de diepte laat beginnen, verrast door zijn onmiddellijk opstijgen naar hoogtepunt sol, terwijl de volgende zinnen lager rond de noot do bewegen. Het gaat natuurlijk hier om het belangrijkste woord “angeli” . Wie weet , heeft de componist hier niet aan “de engelen, hoog in de hemel” gedacht?  In de 2e zin aanhoort en verheugt de Kerk (Sion) zich met het eenvoudig zingen van “audivit” op de noten la en do. Na de torculus van “et” mag “laetata” iets hoger en meer blij klinken, om de zin met een breed zingen van het woord “Sion” af te sluiten.  Bij de 3e zin dient men aandacht te hebben voor het eerste kleine woordje “et” dat los van “exsultaverunt”  dient gezongen te worden!  De lage melodie van de 2e zin gaat hier gewoon verder.  “filiae” verrast door de plotse kwintval: re (dominant) - sol (tonica), maar stijgt terug om “Iudae” op do te laten verder zingen.

Graduale “Timebunt gentes” :  De volkeren vrezen uw naam, Heer, en alle koningen van de aarde uw heerlijkheid. - De tekst roept ons wat herinnering aan het feest van Driekoningen op. De 1e zin stemt grotendeels overeen met het graduale van Palmzondag “Christus factus est” : een voorzin die als diepe 6e modus begint, en een nazin die de juiste modushoogte: -fa do- bereikt. Riep “Christus factus” medelijden op, hier geeft “Timebunt”  en “gentes” die breed gezongen dient te worden,  
meer een gevoel van angst.  “nomen” krijgt een mooie hoge boog. De 2e zin klinkt feestelijk door woorden met lange melismen, want het gaat over alle vorsten van de aarde! Een af te scheiden woordje “et” laat “omnes” versierd hoger opstijgen.  “reges terrae” blijft op do-hoogte zingen en “gloriam” wordt met een mooie zang eerbiedig lager gezongen, om met “tuam” in volle heerlijkheid terug hoger te kunnen eindigen.

Alleluia “Dominus regnavit” :- De Heer regeert. Laat de aarde juichen, de eilanden zich verheugen -Dit alleluia werd reeds gezongen de eerste adventszondag en zal nog aan de beurt komen.  Het vers “Dominus regnavit” werd bijna volledig aangepast aan de melodie van “Ostende nobis”  van de eerste adventszondag, mits een paar kleine wijzigingen omwille van de tekst.  Het is moeilijk te achterhalen wat de meest oorspronkelijke versie zou kunnen zijn!

Offertorium ”Dextera Domini”heeft een boeiend verleden!
We zingen het ook op Witte Donderdag en de melodie werd ook aangepast gezongen met de tekst “In omnem terram” (434)van het feest van de apostel Thomas!  Wat de originaliteit betreft geven de oudste handschriften de voorkeur aan onze zondag.
Het evangelie van deze dag brengt het verhaal van een melaatse die door Jezus genezen werd door zijn hand naar hem uit te strekken. Psalm 117 van het offertorium lijkt daar een sprekend vervolg op te zijn: bewondering voor Gods Almacht! – De rechterhand van de Heer heeft kracht uitgeoefend, heeft mij verheven, ik zal niet sterven, maar leven en de werken van de Heer verkondigen! –
De melodie staat in een getransponeerde 2e modus: tonica la (omdat men zo diep onder de noten-
balk niet kan schrijven!) en bestaat uit drie zinnen die vreugdevol dienen gezongen te worden.
Iedere zin bereikt in de tweede helft het hoogtepunt -re- op “virtutem” – ”exaltavit” – “opera”.
Het woord “Domine” komt er eveneens driemaal in voor: neerbuigend de eerste keer, eenvoudig in de tweede zin en overtuigend in de slotzin.
“non moriar” dient noch droef, noch trager gezongen te worden. “non” : - (het zal)niet(gebeuren) –
wordt wel iets breder ingezet, om vlot over “sterven” heen te gaan en “levendig” te eindigen.

Communio (C) “Comedite pinguia”: - Eet lekkere spijzen en drink zoete wijn, deel mee aan hen die niets hebben bereid; want deze dag is heilig voor de Heer;  en wees niet droevig, de vreugde des Heren is onze kracht.  Dit is een stukje Bijbelse geschiedenis: de Joden zijn uit ballingschap terug gekeerd en aanhoren het voorlezen van de strenge wet door schriftgeleerde Esdras, die besluit met: “Ween niet, treur niet, gaat, eet lekkere spijzen…” De tekst werd in 4 zinnen verdeeld die elk een eigen karakter hebben en in een eigen modus geschreven staan.  “Comedite”, de 1e zin, heeft de mooiste melodische bouw, komende van lage re en gaande, langs sibé, naar do. Ze eindigt in de
fa-modus. De 2e zin: een zacht bevel: ‘deel mee’, verloopt vooral syllabisch om in de mi-toon te eindigen. In de 3e zin klinken de woorden “Sanctus enim dies Domini” vermanend, gewichtig met
4 maal slechts de noten  -la sol-, en “est” lijkt dit met de kwartval nog te willen bevestigen! Met “contristari” eindigt die zin in de re-modus. De 4e zin, waar het gaat over vreugde en sterkte, zingt volledig rond tonica sol van 8e modus. Zij eindigt met het versierde woord “fortitudo” dat fris en vernieuwend , voor het eerst in het gezang, 2 maal de si laat horen.