3e Paaszondag

Introitus ”Iubilate Deo”  bestaat uit 3 zinnen, die elk met een wat bevelend werkwoord beginnen:
“iubilate –psalmum-date”! Opvallend dat deze vreugdevolle zang zich beweegt binnen slechts een viertal noten: van sol tot do, met af en toe een afdaling naar fa! – Jubel voor God, heel de aarde –
“Iubilate” klinkt blij gebiedend. “Omnis terra” krijgt een nadrukkelijk karakter door zijn eenvoud en kwartval. Het “alleluia” schijnt dit te willen bevestigen.  De 2e zin: - Zingt een loflied voor zijn naam –
“Psalmum” wordt met sol-do ingezet en het gebiedend zingen mag lang duren: liefst 5 maal do na elkaar! Bij “dicite” ontstaat een motief dat terugkeert bij “nomini, gloriam” en het laatste “alleluia”.
Het “alleluia” dat de 2e zin afsluit is een herhaling van het eerste woord “psalmum”.  De 3e zin – geef lof aan zijn naam – laat met een pressus het woord “date” indruk maken.  Eigenaardig dat de “alleluia’s” nu de lage regio ingaan. Het lijkt wel een illustratie van de komende alleluiatekst : Christus moest lijden, uit de dood opstaan en de heerlijkheid ingaan. Het eerste daalt onder tonica sol tot re. Het tweede gaat rustig omhoog en het derde klink blij hogerop.

Alleluia ”Cognoverunt”: - De leerlingen herkenden de Heer Jezus aan het breken van het brood –
De melodie komt oorspronkelijk van “Domine Deus” (317), maar klinkt goed aangepast aan onze tekst. Het “alleluia” heeft een speciale bouw. Het 1e deel “alle-“ draait laag rond tonica mi. Met
“-luia” gaat het de hoogte in en begint feitelijk hier de jubilus. Dus liefst de verbindingsboog naleven!
Het vers wordt mooi ingezet met “cognoverunt”: een vlucht van lage mi naar hoge re, als om de verbazing van de leerlingen weer te geven bij het herkennen van de Heer! Ook “discipuli” mag nog eens de hoogste noot halen, maar dan wordt neergebogen voor “Dominum Iesum”.   “in fractione panis” is grotendeels de herneming van het “alleluia” met de jubilus.

Alleluia ”Oportebat pati Christum” was nog niet bekend in St Gallen maar wel in Einsiedeln, die het noteerde voor woensdag in de paasweek. – Lijden moest Christus, om op te staan uit de doden en zo de heerlijkheid in te gaan – Het “alleluia” heeft een dubbel karakter: een eerste deel met een soort klagend karakter (voor het lijden) op de lage noten do-fa.  Hierna wordt  tweemaal met een kwint-sprong in de hoogte verder gezongen om met een soort majeurakkoord van do: do-mi-sol, met het laatste fragment te eindigen. Zoals in vorig, vangt ook in dit “alleluia” de jubilus aan met het laatste stukje: “-luia”, wat duidelijk gemaakt wordt door het slotwoord “suam”. “Oportebat” klinkt medelijdend, vooral door de pressussen die remmend werken. “et resurgere a mortuis”  lijkt wat verkeerd behandeld, met “resurgere”  diep te laten duiken en met “mortuis” te stijgen! “et ita” en “in gloriam” wordt met het majeur-akkoord do-mi-sol, de heerlijkheid ingezongen.

Offertorium “Lauda anima mea” komt van psalm 145: - Ik wil God toezingen zolang ik leef, want alles komt van Hem -  Geen uitbundig gezang voor de verrezene, maar een eenvoudig dankbaar zingen naar God toe.  De zang bestaat uit 3 zinnen + “alleluia”. Weer zijn het werkwoorden waarmee die beginnen: “lauda – laudabo – psallam” .  Zin 1 en 3 en ook het “alleluia” beginnen met het blijde do-mi-sol.
De 1e zin gaat niet hoger dan la en eindigt op een soort onvoldaanheid met de slotnoten
mimi fa van “Dominum”. De 2e zin bereikt met “Dominum” het hoogtepunt: - ik zal de Heer loven –
Dit gebeurt, met sibé, op een bijna eerbiedige manier! Ook “in vita mea” sluit af met dat onvoldane
mimi fa. De laatste zin: - God zal ik loven zolang ik leef – begint met “psallam”.  Is het om lengte van dagen aan te geven dat ”(psal)-lam”  met tristropha+clivis geschreven werd?  Tweemaal weet de melodie hier eenvoudig over sibé te gaan en het “alleluia” heeft de volledige melodie van “psallam”.

Communio (C) “Simon Ioannes”:  Na dood en verrijzenis verscheen Christus de apostelen aan het meer van Tiberias en stelde Petrus aan als hoofd van de Kerk. Daarom vroeg Hij hem: - Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij meer lief dan de anderen?  Heer, Gij weet alles, Gij weet dat ik U liefheb! -
Deze tekst uit de vigiliemis van het feest van Petrus en Paulus (29 juni) kreeg een mooie muzikale benadering in een sobere 6e modus; een melodie die beperkt bleef binnen de lage en de hoge -do-.
In de 1e zin stelt Christus de vraag. Waardig en breed te zingen klinkt “Simon Ioannis,diligis” enkel op de 3 noten -fa sol la-. Om het vragend karakter te bekomen klinkt ”me” plots een kwart lager en mag ”plus”
terug een kwart opstijgen. De 2e zin, het wat ontstelde antwoord van Petrus, stijgt ook met een kwart naar sibé, die de zin verder blijft beheersen. De 3e zin - Gij weet het, Heer - klinkt , door de nog hogere noot do, met nog meer overtuiging op “tu”. Terug met het sobere -fa sol la- gaat “scis, Domine” verder, --Gij weet het, Heer -. Breed, zangerig wordt met “quia amo te” geëindigd.