33e zondag door het jaar

Introitus “Dicit Dominus” :  – Ik koester gedachten van vrede, niet van onheil. Aanroep Mij, en Ik zal u verhoren en u uit alle gevangenschap terugvoeren!
Zo sprak de profeet Jeremias, onder Gods ingeving, de Joden toe in Babylonische gevangenschap!
Na een eenvoudige  lage inleiding: “Dicit Dominus” gaat het vanuit  de laagte plechtig, wat majestatisch naar het  hoogtepunt “pacis” , vrede breng Ik u, geen onheil!: “non afflictionis!”
Hier vertoeft de zang nog in de hoogte, maar de si-bé geeft het een wat minder uitbundig karakter.
Bemerk dat “Dicit Dominus” en “cogitatio” dezelfde melodie hebben en ook dat “afflictionis” eindigt met een formule waarmee ook het introitus “Requiem” eindigt bij “(luce)-at eis”.
Het zelfde karakter vinden we in de tweede zin. Plechtig, aanmoedigend bij “invocabis me” met  een herstelde si, en geruststellend , terug met si-bé bij: “exaudiam vos”.
Wat lager, op tonica fa, wordt verder de belofte van de bevrijding uitgezongen met  een opflakkering bij “cunctis” , waar je ook zult gevangen zijn!
Het slotwoord “locis” eindigt met de klassieke slotformule van de 6e modus.

Graduale “Liberasti nos- Gij hebt ons bevrijd, Heer, van onze verdrukkers en zij die ons haten hebt Gij beschaamd gemaakt.  In God zullen wij roemen geheel de dag en uw Naam prijzen in eeuwigheid Deze 2 psalmverzen werden naar hun eigen inhoud verwerkt als dank- en jubellied. Het eerste deel begint en eindigt met Gods daadwerkelijkheid: “Liberaste” en “confudisti”. Voor- en nazin hebben een arsis-thesis opbouw en het geheel brengt een gevoel van innige dankbaarheid! Het laatste deel van “(confu)disti” is terug te vinden in het woord “terra” van het graduale van kerstdag (48).
Het vers “In Deo” brengt de herhaling van het 1e deel van het graduale van de 3e adventszondag (22)
Na een blijde start met de kwint -sol re-, gaat “Deo” onder do verder en kent wat opflakkering in de laatste passus. “laudabimur” gaat juichend hoger verder! De 2e zin gaat vervolgt constructief verder. “(tu)o” herneemt het motief van het tweede “nos”. Het motief van “confitebimur” wordt in
“in saecula” herhaald, dat afsluit zoals het woord “iustitiam” van de 1e zondag door het jaar (258).

Alleluia “De profundis” – Uit de diepten aanroep ik U, Heer, - Heer hoor mijn stem. -
Het alleluia begint met de psalmtoon van de 7e modus. De lange jubilus bestaat uit 5 fragmenten:
A en B zijn gelijk, C herneemt ook, maar daalt neer, D start een toon lager en daalt verder af.
E brengt ook een herneming en sluit af. Het blijde majeurkarakter van de modus wordt echter wat teniet gedaan  door het voortdurend herhalen van de noot do, maar liefst 10 keer, aangebracht of gevolgd door de noot si. Dat zorgt voor een iets klagend karakter, en het voortdurend herhalen van de halve toonafstand -si do- maakt het, bij  a capella zingen, de zangers moeilijk om juist op toon te blijven zingen!
Het vers “De profundis” bestaat uit twee zinnen die dezelfde opbouw hebben: bemerk dezelfde start bij “De profundis” en “Domine”, gevolgd door de twee hoogtepunten: “clamavi” – ik roep – en
“exaudi” – luister –. Komende vanuit de laagte klinkt - het geroep – tot aan de hoge noot sol
Indrukwekkend!   Het smeken om gehoord te worden, “clamavi”, is nog meer aangrijpend.
Hier gaat het nog hoger: tot aan de hoge la!  Beide zinnen besluiten ook dalend, de laatste zin  met de herhaling van de lange jubilus van het alleluia.

Offertorium: “De profundis”heeft dezelfde tekst als het alleluia op één woord na: “vocem” – stem –
wordt vervangen door “orationem” – gebed -.   Al stijgt de melodie ook hier uit de diepte naar omhoog, de 2e modus zorgt voor een strenger klimaat.  Het roepen van “clamavi” lijkt hier meer op een voorzichtig a.u.b. vragen!   De tweede zin vangt hoger aan, om wat neerbuigend het woord “Domine” te kunnen zingen,  en de aanhef te zijn om het hoogtepunt, het smeken op “exaudi”
te bereiken. Met het hernemen van het laatste motief van “orationem”, start “meam” een lang melisme. Tot slot wordt de eerste zin volledig herhaald, wat maakt dat dit gezang  in de liedvorm ABA geschreven staat!

Communio (A) ”Domine, quinque talenta komt van het verdwenen feest van Petrus Chrysologus, bisschop en kerkleraar (4 dec). Het evangelie brengt vandaag de parabel van de 5 talenten.
Dit communio bezingt het laatste deel daarvan: de wijze dienaar die de heer de 5 talenten terugbrengt.  Heel beleefd klinkt het eerste woord “Domine” en rustig, zakelijk wordt gezongen:
- 5 talenten heb ik ontvangen, kijk, 5 heb ik er bij gewonnen! - De 2e zin brengt de vreugdevolle reactie van de heer, met een melodie van de hogere noten -do re mi fa-. “Euge serve” start onmiddellijk blij een kwint hoger. De handschriften vragen wel een breed zingen, maar ook aandacht voor de 2e lettergreep van “Euge” met “leniter”= bevallig, dat als zwakke lettergreep wel iets breed, maar zonder steun, dient gezongen te worden.  Zo kan het nieuw accent van “serve”  duidelijk tot uiting komen.   “fidelis” krijgt een mooie zang, die terugkeert in het tweede “fidelis”! Hoog, met een pressus en nadruk, wordt “te” gezongen; - gij zult veel krijgen! -Het laatste zinswoord “constituam” eindigt naar het voorbeeld van “(superlucra)tus sum”, maar een terts hoger. De laatste zin zingt rustig afdalend, met een vreugdevol gevoel bij de heer: “gaudium Domini”, en blijdschap bij de dienaar, om de beloning.