32e zondag door het jaar

Introitus “Intret oratio”(zaterdag 1e vastenweek)  - Moge mijn gebed voor uw aanschijn komen.
Luister naar mijn smeken, Heer-. Lijk wierookwalmen stijgt de zang onmiddellijk de hoogte op, naar dominant do, en herhaalt driemaal het motief: -do re do la-. De handschriften vragen hier echter duidelijk om tweemaal –do re do re la- te zingen! De nazin “in conspectu” neemt een nieuwe aanloop met sol, maar gaat verder met  dezelfde noten. De 2e zin: “Inclina aurem” - luister naar mij-,  met een verder opstijgen naar hoogtepunt mi, is een echt met aandrang smeken om verhoring.  “aurem tuam” herneemt de aanloop van “in conspectu”. Heel nederig klinkt de nazin, die voor het eerst afdaalt naar tonica mi, bij “precem”. De laatste 2 woorden “meam, Domine” zijn niet zo gemakkelijk om mooi te zingen, ze dienen goed in zwevende stijl ingeoefend te worden.

Graduale “Dirigatur (zaterdag 1e vastenweek) - Laat mijn gebed opstijgen als wierook voor uw aanschijn, Heer, mijn opgeheven handen als een avondoffer. -  Ook deze psalm heeft het over het gebed, dat als wierook voor de Heer opstijgt. Van de lage toonnoot sol tot de hoge noot la ontwikkelt zich dit gezang.  Met een kwintsprong -sol re- en terug, opent het met “Dirigatur”. Zacht hoger opwalmend, vervolgt “oratio mea” en de wierook “incensum” mag de hogere noot sol bereiken.
“in conspectu” herhaalt die wending en “tuo, Domine” klinkt eerbiedig in de lage regio van de modus. Met groot contrast laat het vers “Elevatio” van do naar la, de melodie zich ‘verheffen’ en “manuum” mag dit nog eens herhalen, om “meam” met een rustig melisme te laten afdalen.
Waar “Elevatio” begon met -do re sol-, begint “sacrificium” met de fugatische omkering -sol la do- en ontwikkelt verder rond dominant re, wat ook “vespertinum” doet, eer die op tonica sol gaat eindigen.

Alleluia “Qui posuit( komt van de votiefmis om een schisma te beëindigen ) - De Heer schenkt vrede aan uw land en verzadigt u met bloem van tarwe. - De Alleluia-zang is een bekende melodie. Ze wordt gezongen de 3e adventszondag, op Hemelvaart en Pinksteren en de 2e en 30e zondag door het jaar. Het is een eenvoudig gezang dat in gebonden stijl rustig beweegt tussen re en sibé. De jubilus herneemt het motief van “(Allelu)ia” en daalt verder rustig gebonden af naar mi. Alle verzen die met deze melodie bewerkt werden, beginnen en eindigen ongeveer met de melodieën van Hemelvaart en Pinksteren, die door hun voorkomen in de meeste handschriften, ook meest origineel kunnen zijn.
Huidige tekst komt in wat minder handschriften voor en is een tekstaanpassing aan deze mooie, kalme melodie.

Offertorium “Gressus meos”: komt van de zaterdag, 3e vastenweek, waar het als vervolg op het evangelie, het verhaal van de kuise Suzanna, terecht geplaatst werd. - Richt mijn schreden Heer,
naar  uw verlangen, opdat alle ongerechtigheid niet overheerst. - Waar de tekst van de 1e zin één lange zin is, werd zij melodisch in 3 fragmenten onderverdeeld, die allen op sol eindigen. Na een breed zingen van “Gressus” wordt vlot tot “Domine” doorgezongen.

Na de hoge start op dominant do, wordt het woord “secundum” uitgebreid gezongen. “eloquium” heeft een rustiger opstijgen en “tuum”, - dat verlangen van U -, bereikt het hoogtepunt re en komt ook op sol te eindigen.
De 2e zin begint met het kleine voorbereidende woordje “ut”, om “non” heel overtuigend, in het volle licht te plaatsen met clivis en tristropha, hoog op do. “omnis” daalt laag af, zo kan “iniustitia” van diep, met 2 kwartafstanden opstijgend, glanzend in de hoogte klinken, en “Domine” nogmaals met sol de zang eindigen.

Communio “Dominus regit me” (zaterdag 4e vastenweek) - De Heer leidt mij en niets kan mij ontbreken. Hij laat mij weiden op groene velden. Aan verfrissend water voedt Hij mij op. -
In een beweeglijke 2e modus werd deze tekst een blij verkondigen van de daden van de goede Herder! Dankbaar klinkt de 1e zin bij de woorden “Dominus regit me” met de toonafstand van de sekst -do la-. Vol overtuiging, in alle eenvoud, klinkt “et nihil mihi”, -niets zal mij ontbreken - .
De 2e zin laat “in loco” beginnen met de psalmtoon -do re fa- en geeft “pascuae” een mooie zang,
die begint met een motiefje -fami fasol- dat “ibi” herhaalt.  “me collocavit” wordt volledig op dominant fa gezongen en geëindigd. Zo kan de 3e zin met “super aquam”, dat ook begint met
-fami fasol-, hoger opgaan, om de voorzin kalm afdalend, te eindigen. Tenslotte wordt “educavit”, dat eveneens met het hetzelfde motiefje begint, het meest melodisch bewerkte woord.