31e Zondag door het jaar

Introitus:  “Ne derelinquas  me” (woensdag 2e vastenweek) - Heer, verlaat mij niet, want Gij zijt mijn heil en mijn kracht – Ditmaal wordt het geen angstig smeken, maar een rustig vragen.  De strenge re- en mi-modus worden hier niet gebruikt, maar wel de meer opgewekte 7e modus!
Merkwaardig dat de componist zich liet leiden door de psalmtoon van die 7e modus. Vgl. de aanhef
“Ne derelinquas me, Do-“  met de psalmtoon onderaan en je merkt de gelijkenis!
Na een rustige inzet krijgen wij onmiddellijk het hoogtepunt van de zang:-  wij blikken op naar God in de hemel! “Domine Deus meus”! De gebonden stijl, in boogvorm zingt als een smekend vragen.
De nazin laat “ne discedas” eveneens met de psalmtoon beginnen - ga niet weg en luister naar mij -    en voorzichtig vragend, in syllabische stijl, verder gaan. Hier best wat trager zingen! “meum” eindigt met het motief van “meus”, maar een kwart lager.   De slotzin:  Heer, mijn heil en kracht, terug melismatisch, moet blij overtuigend gezongen worden! “Domine” kreeg een mooi melisme. “virtus” en “salutis” worden door een pressus belangrijk gemaakt. Het laatste motief van “Domine” keert terug in het slotwoord “meae”.

Graduale: “Suscepimus” Deus” -Wij gedenken uw goedheid, God, midden in uw tempel. Zover uw naam reikt, weerklinkt uw lof tot aan het uiteinde van de aarde - Een graduale die ook gezongen wordt op O.L.Vrouw Lichtmis (2 febr), waar het misschien zijn oorsprong vond, daar de tekst daar ook in het introitus gebruikt wordt.  Het is een feestelijk gezang dat rustig begint: “Suscepimus” zet in met een motief dat “misericordiam” herhaalt. “Deus”  klink versierd wat hoger op, en “tuam” krijgt een bewogen melisme, dat een brug vormt naar het hoogtepunt re van “medio”. Blij gaat de 2e zin verder met “secundum nomen”, maar de verdere tekst moet het stellen met een wat versierd spelen met de noten -fa sol la-, om “tua” op -redo- te laten eindigen.  “fines” mag terug hoger in de aandacht komen en “terrae” besluit met een wat uitgebreid melisme, eigen aan de vijfde modus.

Alleluia :”Verbo Domini “,:  - Door het woord van de Heer zijn de hemelen gevestigd, en door Zijn adem  al hun kracht.  Een versie zonder neumen wijst op een jonger bestaan!  De oorspronkelijke melodie wordt gezongen op paasmaandag (G201):” Angelus Domini..  waarin het neerdalen van de engel mooi bezongen wordt.   In “Verbo Domini” vinden we ook een geslaagd uitzingen van de tekst bij het woord “coeli”:-de hoge hemel!-  De oorspronkelijke melodie werd volledig aangepast, behalve het slot omwille van de kortere tekst.

Offertorium “Benedic”:(vrijdag 1e vastenweek) -Loof, mijn ziel de Heer, en vergeet al zijn weldaden niet – en mag vernieuwd worden gelijk een adelaar, uw jeugd!  - Nogal een tekst!!    Het is een blij, ietwat gebiedend gezang: -Loof, mijn ziel de Heer - Om die eerste zin begrijpend uit te zingen, wordt hier best na het eerste woord niet geademd, maar de hele zin doorgezongen tot “Domino”, die zo mooibelicht wordt .  Met een soort vingerwijzing klinkt “et noli oblivisci”, gevolgd door het melodische “retributiones”, dat “eius” in een modulatietoon op –la- laat eindigen.   De laatste zin zet blij in met vreugde om de hernieuwde jeugd!  “renovabitur”, mag opstijgen naar dominant do, die zonder onderbreking, tot het einde de belangrijkste noot zal blijven!   “aquilae” brengt een afdalen naar sol. “iuventus” die het eerst moet stellen met enkel de noten la en do, krijgt verder een mooi melisme, eigen aan de 5e modus, om daarna het –la do-klimaat te hernemen.
Verder wordt blij ingezet met “et renovabitur” en met de vreugde om de vernieuwde jeugd, geraakt “iuventus” bijna niet uitgezongen! Een eenvoudig torculus laat het eindwoord “tua” de modus bevestigen.

Communio “Notas mihi “ :(woensdag 3e vastenweek)– Gij doet mij de wegen kennen van het leven.  Gij zult mij vervullen van vreugde als ik uw wil doe, Heer!   Ongebruikelijk hoog voor een  7e modus, wordt hier ingezet!  De asterisk na het eerste woord is hier absoluut misplaatst:  het dient, tekstueel en melodisch verantwoord, na “fecisti” te staan!   Het is een rustig danklied, dat na een hoge start zich volledig beweegt binnen de kwintafstand: sol-re, tonica en dominant van de 7e modus.
De twee zinnen met psalmverzen zijn twee op zich zelf staande melodieën die op tonica sol eindigen.
Notas mihi”, een vraag, hoog naar de Heer toe.  De tweede zin waar het gaat over mijzelf:
ad implebis me”, begint laag en is een opeenvolging van al mooi afgewerkte afzonderlijke woorden.