2e Adventszondag

Introitus “Populus Sion” Gaudete” en “Laetare” gaan door als de blijde zondagen van advent en vasten. De gezangen van de 2e adventszondag klinken echter heel wat blijer!  Waar vorige week nog met geen woord over de komst “venire” van de Heer gesproken werd, wordt het hier, met een kwartsprong bijna jubelend aangekondigd:  - Volk van Sion! Weet het! De Heer zal komen! – .  Het gezang heeft een perfecte opbouw. Het bestaat uit 3 muzikale zinnen, die alle op de zelfde manier beginnen: van tonica sol naar dominant do: ”Populus – et auditam – in laetitia”. Ze eindigen ook op dezelfde manier:  1 en 3: “gentes + vestri”:  -sol-la-sol-sol - ,  en 2: “suae” een kwint hoger: - re-mi-re-re- . Zin 1 heeft een mooie start en wentelt verder rond de noot do, om dalend te eindigen “ad salvandas gentes” – om de volkeren te redden -.  Zin 2, waar het gaat over de Heer die glorievol zijn stem laat horen, neemt een vlucht naar de hoge fa en wentelt verder rond de re, met “gloriam vocis” als hoogtepunt. (Het voorgaande woord “Dominus” is niet correct volgens de neumen. Het is beter het woord te eindigen op si dan op la! Zo sluit het beter aan bij het volgende woord “gloriam”, dat met do aanvangt.)  De slotzin baseert zich terug op -do-, al bereikt “laetitia” vreugdevol de hoge noot mi.

Graduale “Ex Sion”:  - Van Sion schittert zijn luister: God zal komen in heerlijkheid -.  Werd Sion reeds in het introitus bezongen en zal Jeruzalem met vreugde in de communio bezongen worden, het graduale zingt over de komst van de Heer, en met Hem zijn heiligen, in een blij gezang! “Ex Sion” begint met het majeur-akkoord -fa la do- en zal met die tertsafstand nog wat doorgaan.  “Species”, met hoog op- en  neergaande melodie, levert motieven op die zullen herhaald worden: bv. in “Deus”, “veniet”, “eius”.  De 2e zin laat “Deus” bewust tot mi opstijgen, en “manifeste” daalt even af, om “veniet”  - Hij zal zeker komen - met overtuiging en 4 brede noten plechtig een nieuwe vlucht naar de noot mi te laten nemen.  Het vers laat het grote melisme van “Congregate” ook met -fa la do- beginnen, maar blijft in de tessituur van het 1e deel. Sommige woorden hebben een langere melodie, maar die bereiken niet de mooie zangerigheid van het 1e deel.

Alleluia ”Laetatus sum”  – Ik verheug mij om wat mij gezegd is:  naar het huis van de Heer zullen wij gaan! – Dom Jean-Claire, koorleider van Solesmes  verlangde dat dit alleluia op zijn begraving gezongen werd. Wat gebeurde!  Een kort, zangerig, heel eigen alleluia, gaat met twee kwartsprongen de hoogte in, gevolgd door twee korte jubilus-fragmenten. Waarom iemand vond dat Alleluia met het eerste deel van de jubilus moest verbonden worden, is mij niet duidelijk! Misschien omdat het gemakkelijk in één adem te zingen is, maar dan wordt de constructie van beide jubilus-delen geschaad!  Na het woord “Alleluia”, vangt het eerste deeltje van de jubilus aan, met een heel eigen zang in de hoogte. Het tweede deeltje herhaalt dit motief bijna correct in de laagte!  Het vers is een mooi programmatisch benaderen van de tekst. Het zet in met een formule uit de 1e modus, die we kennen van o.a. de antifoon “Pueri Hebraeorum”, en  gaat blij op zoals “dicta” in de eerste zin.  De 2e zin stijgt vreugdevol  op naar “domum”: - het huis van de Heer - en “Domini” bezit het motief van het 2e jubilusdeel, maar een secunde hoger. Deze tekst werd vroeger als lied voor de doopleerlingen gebruikt.

Offertorium “Deus, tu convertens”:  - God, als Gij U naar ons toekeert, herleven wij! – De puntnoot op “(De)-us” en de asterisk  zijn niet bestaande! Dus dienen de eerste 3 woorden samen gezongen te worden! De melodie is nogal breed uitgebouwd, en stijgt direct naar do, (dominant) om daar het hele stuk echt te domineren! “Vivificabis” is levendig uitgewerkt, om op “nos” een mooie daling naar tonica mi- te maken. De tweede zin “et plebs tua” neemt weer de vlucht naar do, om met “in te” op “sol” (8e modus) te eindigen.  Met “Ostende nobis”, het smeken, wordt het hoogtepunt bereikt, om met “misericordiam” in de laagte af te dalen en zelfs met re, de ondertoonnoot, te eindigen. In de slotzin herneemt -do- terug de heerschappij!

Communio “Ierusalem surge”  is een mooi beschrijvend gezang. De tekst komt van de profeet Baruch, leerling van Jeremias, dus uit de Babeltijd!  Waar Jeremias het volk overlaadde met bedreigingen en verwensingen, kwam Baruch de Joden meer bemoedigend tegemoet. - Sta op, Jeruzalem – is een duidelijk bevel dat onmiddellijk opstijgt naar de hoogst te zingen noot! Dit bevel, die twee woorden “Ierusalem surge”, mag zeker niet door een asterisk gescheiden worden! De tekst gaat met mooi versierde woorden verder.  Vergelijk bv. de woorden “et vide iucunditatem” - zie de blijdschap twee versierde woorden, die opgaan naar het adventswoord “veniet”, de blijdschap die de komst van de Heer zal brengen. Ook het voorlaatste woord “Deo” werd met de noten van het blijde majeurakkoord – do mi sol - bedacht.