2e zondag van de vasten

De meeste vastenzondagen mochten hun oorspronkelijke gezangen behouden.  De 2e zondag had als oorspronkelijke gezangen (5/6e eeuw?) deze van de woensdag van de 1e vastenweek met uitzondering van de tractus. Van die oorspronkelijke mis blijft heden enkel  het offertorium “Meditabor” over!
Het oorspronkelijke introitus  “Reminicere” dat al sterke vasten-ideeën heeft van smeken en vergiffenis
werd naar de dag van oorsprong terug geplaatst, maar toch (onderaan in kleine lettertjes) nog heden toegelaten!

Introitus ”Tibi dixit”komt van de dinsdag van de 2e vastenweek:  - Tot U kan mijn hart spreken,
uw aangezicht heb ik gezocht, en zal ik zoeken, Heer, keer uw gelaat van mij niet af. –
4 korte verzen waarvan enkel de laatste wat smeken inhoud. “Tibi dixit cor meum” begint lijk een achtste modus met sol, en blijft op dominant do verder zingen. “quaesivi” omspeelt de sol om met “vultum” terug do te bereiken en met ”tuum”  - die wil van U – het hoogtepunt re te halen.
Ook de 2e zin vangt aan met –sol do- gelijk de 1e zin: “vultum tuum, Domine requiram”. Het klinkt als een braaf beloven, waarbij het woord “requiram” – zoeken – gelijk wat rondkijkend, zoekend gezongen wordt.  In het laatste versdeel “ne avertas” ,komt de echte 3e modus aan de beurt en wordt rustig op tonica mi geëindigd.

Graduale en Tractus, afkomstig van sexagesima-zondag,  bezingen Gods naam en Almacht als verschrikking van alle vijanden.
Graduale”Sciant gentes”: - Dat de volkeren weten dat uw naam God is. Gij alleen zijt de Allerhoogste –
Een melodie die planmatig is opgebouwd, van laag naar hoog: “Sciant gentes”  gaat van do naar la, het vervolg van de zin: van re naar sibé, en “tu solus Altissimus” van do naar do. Om de almacht over heel de aarde te benadrukken wordt “omnem” met een mooi hoger melisme gezongen!  Het vers bezingt de vernietiging van de vijand met een ongewoon hoge uitval voor een 1e modus op het woord “rotam”!

Tractus “commovisti Domine”- Heer, Gij hebt de aarde geschud en doen beven - : een grillig op- en neergaande zang van een vertoornde God die al met het eerste woord “commovisti” de sfeer schept.
Bij het vers wordt met “Sana” hoog om hulp gezongen en het wankelen van de aarde wordt bij “mota est” met wat vreemde, herhaalde kwartafstanden bezongen.

Offertorium “Meditabor- Ik zal uw geboden overwegen die ik zeer lief heb, en mijn handen opheffen naar uw geboden. Een  vreugdevol gezang neemt een mooie stijgende start met het eerste woord “Meditabor” , waar de neumen bij de 2e lettergreep “di“ niet de pes -sol la-, maar enkel -sol- vragen!
Het zingt mooier en komt het daaropvolgend accent zeker ten goede! De voorzin gaat hoog verder met de torculussen -doredo- en bereidt zo het feestelijk klokkengelui, het -do re mi- van “dilexi” voor.
De 2e zin laat de tekst “et levabo manus” blij en breed met overtuiging tot uiting komen. Het motief van “levabo” keert terug in “(ma)nus meas” en “ad mandata”.
Het laatste woord “dilexi” begint weer met een feestelijk -domiredo- en gaat met een lang melisme verder, zodat het bijwoord “valde” hier voor een 2e maal overbodig wordt.

Communio “Visionem”:  De verheerlijking van de Heer op de berg Tabor met 3 apostelen, een soort inleiding op de verrijzenis met Pasen en een voorbereiding op de taak die de apostelen te wachten staat. Bij het afdalen van de berg krijgen zij te horen dat zij het gebeuren aan niemand mogen vertellen!
“Visionem quam vidistis” begint eenvoudig verhalend,  op- en neergaande, van re naar la en terug.
Met slechts 3 noten,- fa sol la -, eenvoudig syllabisch, lijk met een vermanend opgestoken vinger, klinkt  “nemini dixeritis”  - aan niemand mag je het vertellen -  Met eenzelfde rustig, grotendeels syllabisch, op en neer gaan, besluit ook de laatste zin.Hetzelfde gezang, met slechts één noot verschil  bij “(ho)-mi-(nis), komt ook voor als magnificat-antifoon  bij de vespers van deze 2e vastenzondag!