Vóór het laatste concilie en het nieuwe graduale van 1970, was de 23e zondag (Dicit Dominus)
de laatste zondag die eigen gezangen had.  De volgende zondagen dienden gewoon deze te herhalen! Met de nieuwe ordening: - iedere zondag zijn eigen gezangen - ging men putten uit weekmissen van de vastentijd.

29e zondag door het jaar

Intr. “Ego clamavi” (dinsdag 3e vastenweek): -Heer, ik roep U aan, want bij U vind ik verhoring. Luister naar mij, hoor wat ik zeg. Waak over mijn leven, het licht van mij ogen. Bescherm mij onder de schaduw van uw vleugels- Dit gezang, een smeekbede, beweegt vrij in diverse modi, om enkel bij de slotnoot zijn ware 3e modus te bekennen. “Ego clamavi”, met tristropha en
2 elkaar opvolgende kwarten, is een paniekerige oproep naar de Heer. “Quoniam exaudisti” blijft op de hoge dominantnoot do bewegen, om deemoediger met “Deus” neer te buigen. De 2e zin gaat smekend verder, maar de nazin gaat aandringend met “exaudi verba mea” verder, om in de wat hoopvoller klinkende sol-toon te eindigen. De 3e zin laat “custodi me,” met de omgekeerde kwart van “clamavi,” aandringend vragen met hoogtepunt re op “me”.
oculi” mag hoopvol in de sol-toon doorgaan. In dezelfde hoopvolle sfeer sluit de laatste zin af met een nederig zingen van “protege me”.

Graduale “Salvum me” (woensdag 2e vastenweek) – Red uw volk, Heer, en zegen uw erfdeel –   spijts een tekst die vraagt om hulp, is dit een gezang met rijke melismen. “Salvum” begint al blij met het –fa la do- (majeurakkoord) en “populum” zet in met de eerste noten van de psalmtoon: -sol do-. “Domino” krijgt een weelderige versiering. De 2e zin start eveneens met -sol do-, maar neemt een vlucht hoog op naar fa, om met “benedic” lager, op fa te eindigen. Vanaf die lage fa mag “hereditatem” weerom tot de hoge fa opstijgen, om met een lang zingen, “tuae” te laten besluiten. Het vers heeft iets programmatisch: onmiddellijk, weerom vertrekkend van -sol do-, wordt “Domine”, de Heer in den hoge, tot een octaaf hoger gezongen. In groot contrast is de 2e zin een nederig smeken in het lage register. “clamavi” wordt onrustig, hoog naar de Heer toegezongen. Met mooie brede melismen op “descendentibus” , het neerdalen, en “lacum”, in het graf, sluit de laatste zin af.

All. “Lauda, anima mea”  - Looft , mijn ziel de Heer; ik zal Hem loven heel mijn leven; zingen voor mijn God, zolang ik leef. -Dat alleluia kwam bij de vroegere misgezangen, ook in het graduale vaticanum niet voor. Het blijkt vroeger ook niet alom gezongen geweest te zijn, want niet alle oude handschriften maken er vermelding van. Ook zien wij dat de neumen maar gedeeltelijk aangebracht zijn wat bewijst dat de koorleider de melodie toch goed kende. Het gezang werd aangepast aan het alleluja “Ostende nobis” van de eerste adventszondag en “Dominus dixit” van de kerstnachtmis. Buiten de eerste zin van het vers, waar het woord “anima” syllabisch tussengeplaatst diende te worden, is de aanpassing van de tekst aan deze melodie wel geslaagd te noemen. De woorden “Dominus” en “laudabo” komen goed tot uitdrukking. Ook de 2e zin “psallam Deo” werd wat aangepast, maar “meo” en “ero” behielden de mooie lange melismen.

Off.”Meditabor komt oorspronkelijk van de 2e vastenzondag, waar het nu ook nog gezongen wordt.   Een mooi rustig gezang met plotse vreugdevolle opwellingen bij het woord “dilexi”
- Ik zal uw geboden overwegen die ik liefheb. En mijn handen opheffen naar uw geboden, die ik heb liefgehad. -   De neumen vertellen ons dat je bij ”(Me)di(tabor)” slechts 1 noot, de sol, dient te zingen, wat mooier klinkt en het daaropvolgend woordaccent zeker ten goede komt! Dus, beter de volgende noot la weglaten en enkel de sol zingen.
De voorzin gaat hoog verder met torculussen -do re do- en bereidt zo het feestelijke klokken- gelui, het -do mi re do- motief voor op “dilexi”.
De 2e zin laat de tekst “et levabo manus”, mijn handen opheffen, blij, breed met overtuiging tot uiting brengen. Het motief van levabo” keert terug in “(ma)nus meas” en “ad mandata” . Het slotwoord “dilexi” herneemt het feestelijke klokkenmotief en vervolgt met een lang melisme, zodat het bijwoord “valde”, hier voor een 2e maal overbodig wordt.

Communio.”Domine”: (maandag in de 2e vastenweek.) – Heer, onze Heer, hoe wonderbaar is uw Naam over heel de aarde -  De lof van de Heer van het wordt overtuigend bezongen! Eerbiedig, bewonderend vangt het eerste zinnetje aan: “Domine -Dominus noster”, met twee mooie aparte melodieën. Overtuigend, bewonderend zet de tweede zin een terts hoger in: ”quam admirabile est nomen”, hoe bewonderendswaardig is uw naam!  Bemerk dat het voornaamste woord “admirabile” geen versieringsnoten heeft, maar duidelijk syllabisch gezongen dient te worden. Verplaats de komma nanomen”, in plaats van ervoor. Zo wordt de mooie melodische lijn niet gebroken en kan “tuum” met een soort afsluitend melisme verder gaan. Hierdoor dient “in universa terra” met een nieuwe aanloop aan te vangen!  Bemerk dat alle zinnen en halfzinnen op eenzelfde manier eindigen. Dat brengt de rust in de melodie.