28e zondag door het jaar

Introitus “Si iniquitates” : - Als Gij de zonden blijft gedenken, Heer, wie zal bestand zijn?
Maar bij U is vergeving, God van Israel. -  De tekst bestaat uit 2 zinnen: een vraag en een antwoord. Zo verloopt ook de zang: een eerste opwindende, angstige zin wordt gevolgd door een zin met ontspanning en rust. “Si iniquitates” stijgt vlot op naar dominant do die heel de voorzin zal beheersen. In de nazin, die op een angstig hoog vragen lijkt, begint “Domine” met de herhaalde kwartsprong van het vorige woord “Domine”, en laat ”sustinebit” de hoogste noot mi bereiken. Merk op dat beide zinsdelen eindigen op -sisido-. Wordt hier niet  beter –lasido- gezongen, zoals de neumen van beide gradualen toch blijken aan te duiden?  “quia apud te” van de 2e zin, begint met de zang van”(Ini)quitates”. Verder krijgt “propitiatio” (vergeving) een duidelijk accent met de pressus op do, en wordt “est” rustig met 2 torculussen afgedaald. Wat verwant met het beginmotief van “Si iniquitates” maakt “Deus ”een melodische boog, om “Israel” met een slotformule te laten eindigen.
Het is boeiend de vergelijking te maken met intr. “Omnia” (342). Tweemaal modus III,  vgl. de eerste zin: “omnia quai fecisti nobis (komma) Domine” met“Si iniquitates observaveris (zonder komma) Domine).  De componist moet zeker ook hier aan de komma gedacht hebben, want het woord “Domine” is tweemaal identiek gelijk, met uitzondering van de slotlettergreep: bij het bewonderende “Omnia” sluit het af met het bevestigende: do-do-si, terwijl in het wat bevreesde “Si iniquitates” het een vragende: si-si-do wordt!

Graduale “Ecce quam bonum”: - Zie hoe goed en hoe weldadig het is, als broeders eendrachtig samen te wonen. Als balsem op het hoofd, die afdruipt op de baard van Aaron-.
Op een gewichtige manier zet “Ecce” in: zij heeft iets belangrijks te vertellen! Evenzo mag “habitare” met een kwintafstand hoger beginnen, vrolijk rond do zingen, om “fratres ”met een rustig op- en neergaan te laten eindigen. Het afsluitende woord “unum” krijgt een nieuwe melodie met sibé, en wordt belangrijk gemaakt door de verbreding van de eerste twee noten en de pressus op do .  Het sluit af met de ingekorte versie van de slotformule van “sibi”, uit het graduale van de 23e zondag d.h.jaar. Het vers start zoals “Ecce”, maar gaat met rijke melismen verder. De 2e zin “quod descendit” brengt een herinnering aan “Domine quis”van het introitus. Van heel hoog, mi, bij “descendit”, druipt de baard van Aaron af tot de lage toonnoot re. Tenslotte lijkt de herhaling van “barbam” op een soort aanhangsel, een nieuwe zin, ook bekend als afsluiting van het alleluiavers “Paratum” van de 26e zondag!

Alleluia “Qui timent”: - Die de Heer vrezen, laat hen op Hem hopen. Hij is hun helper en beschermer -. Eenzelfde melodie wordt gezongen de 22e zondag op de tekst “Cantate Domino”. De oude neumen, die hier aanwezig zijn en bij “Cantate” ontbreken, spreken hier dus van een originele versie. “Qui timent” start met de bekende sekstafstand -do re la- en kent een mooie ontwikkeling, eerst rond de noot sol, daarna rond la. “Dominum” mag hoger gezongen worden: opzien naar de Heer! Afdalend, met eenvoudige secunden, een paar tertsen en een kwart op “in (eo)” wordt “sperent” gezongen. Als een brede arsis-thesis wordt met “adiutor et protector” verder gezongen, om met “eorum est” de hele Alleluiazang te herhalen.

Offertorium “Recordare mei”: Het offertorium is een apart verhaal uit de geschiedenis van Esther, die de Heer smeekt om de juiste woorden in haar mond te leggen om aan de koning bescherming voor haar volk te vragen. Vooral met het slotwoord “In conspectu” bezingen we haar bang, aarzelend stappen door de gangen van het paleis, de koning tegemoet!
Wat smekend wordt “Recordare mei, Domine” gezongen en de zin vervolgt rustig tussen de noten -re en la- haar weg. De 2e zin laat “da sermonem” het motief van “omni” en “do(minans)” hernemen, om “os” met een pressus belangrijk te maken en “meum” een hoog motief te geven, die “placeant” zal herhalen. Het strompelen, de koning tegemoet, “in conspectu”, heeft een opstijgen naar la, maar fa beheerst de eerste 3 fragmenten van het lange melisme. Sol neemt even het 4e fragment over, maar fa herneemt het verdere zingen, om “principis” op re te laten eindigen.

Communio “Aufer a me komt van quatertemperwoensdag van september.
-Neem smaad en minachting van mij weg, omdat ik uw geboden heb nageleefd, want uw voorschriften overweeg ik voortdurend.-
Het gezang is een nederig gebed in 3 zinnen, waarvan 1 en 2 best in één ademhaling en toch rustig gezongen kunnen worden. Met een drietal hogere noten van de modus vangt “Aufer a me” smekend aan. “contemptum” , verachting, wordt terecht met een kwartval minachtend geëindigd.  De 2e zin heeft een ritmische orde van notengroepen in 2- en 3 ledigheid, zingt meer in het medium en heeft een rustige op- en neergaande melodie. De laatste zin, een nederige belofte, op een lagere melodie, laat ”nam et” door “testi(monia)” herhalen, zoals ook “medita-” door “-tio me(a)”herhaald wordt.