27e zondag door het jaar

Introitus “In voluntate tua”: Aan uw wil, Heer, is alles onderworpen en niemand kan uw wil
weerstaan, want Gij hebt alles gemaakt , hemel en aarde, het hele universum. Gij zijt de Heer van het heelal. – Deze tekst uit het boek Esther kan ons, kleine stervelingen, alleen maar heel nederig doen opzien naar de Almacht, de Schepper van het heelal!
Zoals wij ook nederig bewonderend opzien naar de verrezen Heer met “Resurrexi”(196)
en schuldbewust smeken bij “Misericordia”(222), werd ook hier terecht voor de 4e modus gekozen.  De hele antifoon werd echter in de 1e modus geschreven. De inleidende voorzin
beweegt op de 3 noten –re mi fa-  In de nazin mag “universa” met 5 noten, van do tot sol, breder uitgezongen worden. De tweede zin bezingt de almacht, waar aan niemand kan weerstaan. Zo klinkt “non” overtuigend met de kwartsprong en een opstijgen naar la. Hoger zal verder niet gezongen worden!  “voluntate tuae” klinkt meer uitgebreid, maar blijft bij de basistonen fa en re. Met iets meer bewondering mag “tu enim” naar la opstijgen en mag de zin bij “omnia” met torculus en climacus breed dalend eindigen. Nadrukkelijk breed te zingen klinkt “caelum, et terram, et universa”, nog altijd op de lagere noten van de 1e modus.  “ambitu” herneemt het slotmotief van “omnia”. Even nederig gaat de laatste zin met “Dominus” verder. Enkel de alleraatste noot mi, en de psalmtoon van het vers, overtuigen van de 4e modus!

Graduale “Domine, refugium” : - Gij zijt onze toevlucht geworden van geslacht tot geslacht -   Deze tekst kreeg de bekende melodie  van het “Domine Iesu Christe” uit de Requiemmis: een melodie die op een tiental teksten voorkomt, waarvan vijf in de adventstijd. Het is een oud gezang dat alom met eigen neumenschrift voorkwam. Door dat diverse gebruik van teksten, dient dus niet te veel naar gelijkenissen te worden gezocht tussen tekst en  melodie, al kan die in “montes fieret” wel aan een mooi landschap doen denken. Vlug wordt het woord “terra” gehaspeld, om “orbis” de volle cadens te geven. Die zou in de oude Vaticaanse uitgave wel op het woord “terra” gestaan hebben.

Alleluia ”In exitu” : - Toen Israël Egypte verliet, Jacobs’ huis uit een vreemd land. -  Het alleluia vraagt per uitzondering de verbinding met het eerste deel van de jubilus. Men zal zich hiervoor gebaseerd hebben op het laatste verswoord:“barbaro”, waar die verbinding ook voorhanden is. Dit deel wordt aangevuld herhaald, en nogmaals een toon hoger hernomen. Het slotfragment heeft een mooi eigen verloop. Het vers is vlot te zingen: een danklied om de vlucht uit Egypte!  Het start zoals het Alleluia, maakt “Israel” belangrijk met opstijgen en met pressus,  laat het kleine woordje “et” uitbundig zingen met een kwintsprong en de hoogste noot sibé, blij omdat “Aegypto” verlaten werd!  De 2e zin zet “domus” in met het 2e jubilusdeel,  maar “Jacob” die afsluit met mi, laat aanvoelen dat het hier nog niet eindigt!   “populo” gaat blij verder met veel beweging , en “barbaro” besluit met heel de herhaling van het Alleluia.

Offertorium “Vir erat” : is een gezang met beperkte toonomvang, vol medelijden met de beproefde man Job, “simplex ,rectus, ac timens Deum”, eenvoudig, rechtvaardig en godsvruchtig. Ingedeeld in een 5-tal zinnen, begint zin 1, 3 en 5 met eenzelfde motief. Zeer eenvoudig klinkt “simplex” en “rectus” eveneens, maar een toon hoger. Een andere wending neemt de volgende zin, waar Satan vernoemd wordt en “petiit” wat dreigend hoger weerklinkt. “tentaret” eindigt met een motief dat terugkeert in “Domino - filios - (vulne)ravit” . De zin die met “et data” begint: ‘de kracht van de Heer werd hem geschonken’ zingt rond de hogere noot re. De woorden “facultate” en “in carne” werden ook gelijk en eenvoudig benaderd. Heel weemoedig klinkt de laatste zin door de sterke nadruk die de pressus  legt op de woorden “carnem - quoque” en “dicere”.

Communio: “In salutare tuo” : zoals veel communio’s is deze hier ook mooi beschrijvend.
Ze bestaat uit drie zinnen:  de 1e zin, “In salutari tuo”, “Heer, Gij zijt mijn heil”, is een rustige uiting van vertrouwen, gezongen met de lagere noten van de modus.  De 2e zin: “quando facies”, met syllabische woorden op slechts een paar noten, heeft iets van het kloppen aan de poort van bijstand en barmhartigheid.  De 3e zin: “iniqui persecuti”,  start met de psalmtoon van de 1e modus. Hier is sprake van angst en vertwijfeling, een bijna schreeuwen om hulp!  Het is een prachtig gezang in de hogere regio van de modus, dat met alle begrip en beleving van de tekst dient gezongen te worden!.
Een technisch détail:  bemerk hoe de drie zinnen allen op dezelfde manier eindigen:
(spe) - ra – vi  /  (judi) – ci – um  /  me-us.