26e zondag door het jaar

Introitus (A) “In nomine Domini” In Jezus naam dient alle knie zich te buigen van wie in de hemel, op aarde en onder de aarde zijn. Want de Heer is gehoorzaam geweest tot de dood, de dood met het kruis, daarom is de heer Jezus Christus in de heerlijkheid van God de Vader. Komende van woensdag,
daags voor witte donderdag , wekt het toch wat verbazing op dat zo’n dankbare, bewonderende tekst juist voor het grote dramagebeuren wordt gezongen?  Het introitus, waarvan oorspronkelijke “Jezus” in plaats van “Domine” in de begintekst voorkwam, bestaat uit 3 zinnen waarvan zin 1 en2 een grote arsis-thesisbeweging vormen. “In nomine” start van tonica mi onmiddellijk op naar dominant do, die beide zinnen blijft beheersen, om bij “crucis” terug op mi te eindigen en een nieuwe zin te laten starten. Deels syllabisch wordt gezongen. Aandacht wordt gevraagd om “genu” juist te beklemtonen, en waar “flectatur” mooi uitgewerkt is, vinden wij dat motief terug in ‘(infer)norum” en “mortem”. De 2e zin is een blij, plechtig verklaren: ‘Weet je het?’ De Heer is voor ons gehoorzaam geweest tot de dood!’  De syllabische woorden dienen duidelijk, met overtuiging, woord per woord gezongen te worden, om met meer beheersing en begrip de zin met “mortem autem crucis” af te dalen. De 3e zin blijft lager zingen, geeft “Christus”  het motief van “(terre)strium” en laat “gloria” nog eens naar do opstijgen.

Graduale (A)“Christus factus est” werd vroeger gezongen op witte donderdag:  een mooi gezang met een dubbel karakter. De 1e zin: - Christus was gehoorzaam tot de dood - wordt gezongen met de lagere tonen van de 6e modus, om de tragische inhoud van de tekst duidelijk naar voor te brengen. Het vers “Propter quod Deus”- waarom God Hem zal verheerlijken - is een uitbundig gejubel op dominant do en de hoogste noten tot sol van de 5e modus.
Toch bestaat er twijfel of die prachtige zang oorspronkelijk wel voor deze tekst geschreven werd, daar het handschrift van St Gallen de lange melismen op “illum” en “nomen” slechts met een paar tekens aanduidt, wat er kan op wijzen dat de zang reeds van een andere tekst gekend was.
In aanmerking  hiervoor genomen, kunnen de gradualezangen van Sint Sylvester: ”Ecce sacerdos magnus” (486) en “Exiit sermo” van Sint Jan (636) gediend hebben. Hoe dan ook, de tekst “Christus factus est” is met deze zang uitstekend verklankt geworden.

Alleluia “Paratum cor meum” heeft met enkele kleine wijzigingen, aanpassingen aan de tekst, de zelfde melodie als dit van de 4e adventszondag “Veni Domine”. - Mijn hart is bereid, Heer, mijn hart is bereid! Ik zal zingen en spelen voor U, mijn glorie. - Waar de adventszang een verlangen naar de komst van de Heer inhoudt, wordt de melodie hier gebruikt om met overtuiging het geloof in de Heer te zingen: “Paratum cor meum” wordt op een iets fuga-achtige wijze (eerst laag, dan hoger) 2 maal herhaald: “Heer, U hoort het: mijn hart is bereid!” In de 2e zin krijgt een korte tekst een lange melodie.” Cantabo” klinkt blij met het grote -fa la do-akkoord en “psallam” vervolgt met het re klein akkoord -re fa la-  Op “gloria” vangt een gejubel aan door een 3 maal herhaald motief-lasibésol lala solsol lafasol- Afdalend naar re wordt het woord afgewerkt, maar dan verschijnt nog het klein slotwoordje “mea” ?! dat een nieuwe melodie krijgt: de slotzin van het graduale van Allerheiligen: “Timete Dominum” (458). Ook het graduale “Domine, prevenisti eum” (509) eindigt op dezelfde manier!  Hetzelfde  Alleluia, maar gevolgd door een ander vers+melodie komt voor in de eerste week van het jaar (258) en op het apostelfeest (463).

Offertorium “Super flumina Babylonis” bracht het introitus reeds een herinnering aan de tijd van de Babylonische gevangenschap, het offertorium brengt het ons overduidelijk! - Aan Babylons stromen zaten wij en weenden, toen wij aan u dachten, Sion. - Een gezang vol heimwee, stil klagen en wenen om het verloren Sion, het heerlijke Jeruzalem dat verwoest is, tegenover het luxueuze Babylon met gruwel en gevangenschap.   Iets klagend vangt “Super flumina” aan en eindigt laag op do. Dit gaf precies het voorbeeld om bijna alle woorden als afzonderlijke melodietjes te bewerken! “Babylonisch” schijnt met de hele do-ladder, van laag naar hoog, de toren van Babel te willen uitbeelden. De 2e zin mag nog eens met “sedibus” naar do opstijgen, maar wordt met sibé wat meer droef afgesloten.  “et fletibus” wil het stille wenen met een eenvoudig op-en-neergaan van re naar la weergeven. De 3e zin wil een blijde herinnering zijn aan de verloren heerlijkheid: “recordaremur” wordt 2 maal met hoogtepunt do gezongen en het slotwoord “Sion” wordt breed uitgezongen met een motief dat herhaald wordt en verder naar tonica re afdaalt.

Communio “Memento verbi tui” Gedenk het woord, Heer, aan uw dienaar gesproken, waardoor Gij mij hoop hebt gegeven. Dat is mijn troost in mijn ellende. - Met ellende en gevangenschap durft de mens zich met een ander “memento” tot de Heer richten, met een eenvoudig nederig gezang:
de 1e zin, “Memento verbi tui” wordt best vlot in één adem gezongen tot “Dominus”. Opmerkelijk in die zin, is dat alle woordaccenten met slechts één noot, verkeerd benaderd worden en het zwakke woord- deel telkens met een clivis eindigt! De handschriften vragen hier over heel de lijn celeriter, dus vlug, vertellend bijna met de tekst omgaan. De zin wordt verder iets meer zangerig, mooi afgesloten.  De 2e zin, “haec me” klinkt dankbaar naar de Heer toe en bereikt zo de hoogste noot si, maar “consolata” krijgt afdalend nog de mooiste melodie, om met een bewust klagend “humiliate” te eindigen.