26e zondag door het jaar

Introitus “Omnia quae fecisti” :- Alles wat Gij ons liet overkomen, Heer, hebt Gij met recht en reden gedaan, want wij hebben tegen U gezondigd en uw geboden niet onderhouden. Maar verheerlijk nu uw naam en behandel ons naar uw grote barmhartigheid.- Een schuldbewuste tekst die de profeet Daniël, tijdens de Babylonische gevangenschap, Azares in de vuur-oven in de mond legde! 
Als een soort bang opzien naar de Heer, wordt na de kwartsprong van “Omnia” en verdere onrustige terts- en kwartsprongen, heel de 1e zin hoog op do gezongen, om enkel met het laatste woord “fecisti” met een modusformule laag te laten eindigen.   De 2e zin blijft laag, als een berouwvolle biecht klinken: -wij hebben gezondigd en waren ongehoorzaam!  Met “quia” wordt laag ingezet, om “tibi” met een gebonden melisme terug naar do te laten opstijgen. Dit melisme wordt gedeeltelijk, maar syllabisch, herhaald in “et mandatis tuis”. Bemerk dat “tibi” en “obedivimus” op een zelfde manier eindigen!  Met tweemaal het motief -sollasido- mag “ (sed) da glo(riam)” terug meer blij klinken, en met de herhaalde kwartsprong -sol do- van het begin, mag ook de 4e zin zich met “et fac nobiscum” hoopvol tot de Heer richten.  “secundum multitudinem” kent een rustig verloop met kleine toonafstanden, maar “misericordiam” wordt met wat grotere afstanden terecht nadrukkelijk gezongen.  Tenslotte eindigt “tuae” met de formule waarmee ook de eerste zin eindigde.

Graduale ”Oculi omnium” : van de vroegere XXe zondag  na Pinksteren, werd alles, muziek en tekst, overgenomen. Terecht werd hier de psalmtekst, die het heeft over de voeding die allen van de Heer ontvangen, behouden. – De ogen van allen hopen op U, Heer, en Gij geeft hen spijs op de goede tijd. Gij opent uw hand en vervult al wat leeft met uw zegen  - Dat graduale is een zeer mooi melodisch gezang. De eerste zin vangt aan in de lage tessituur van de 7emodus. Met een kwintsprong bij “in te sperant” stijgt de melodie wat hogerop, om “Domine” in hoog gejubel toe te zingen! Ook “(et)tu” mag nog eens de hoogste noot sol zingen, maar dan wordt het met mooi versierde woorden afdalen naar “opportuno”, die een lang en mooi melisme krijgt. 
Het brengt iets verwondering, dat het eerste woord van het vers: “Aperis” op een onbeklemde lettergreep een zo lange melodie krijgt! Het lijkt op wat trapezespringen rond de do!
“manum” neemt het motief van “(Domi)ne” over en “benedictione” neemt de volledige, prachtige slotcadens van “opportuno” over.

Alleluia “Paratum cor meum” : heeft met enkele kleine wijzigingen, aanpassingen aan de tekst, de zelfde melodie als dit van de 4e adventszondag “Veni Domine”. - Mijn hart is bereid, Heer, mijn hart is bereid! Ik zal zingen en spelen voor U, mijn glorie. - Waar de adventszang een verlangen naar de komst van de Heer inhoudt, wordt de melodie hier gebruikt om met overtuiging het geloof in de Heer te zingen: “Paratum cor meum” wordt op een iets fuga-achtige wijze (eerst laag, dan hoger) 2 maal herhaald: “Heer, U hoort het: mijn hart is bereid!” In de 2e zin krijgt een korte tekst een lange melodie.” Cantabo” klinkt blij met het grote -fa la do-akkoord en “psallam” vervolgt met het re klein akkoord -re fa la-  Op “gloria” vangt een gejubel aan door een 3 maal herhaald motief-lasibésol lala solsol lafasol- Afdalend naar re wordt het woord afgewerkt, maar dan verschijnt nog het klein slotwoordje “mea” ?! dat een nieuwe melodie krijgt: de slotzin van het graduale van Allerheiligen: “Timete Dominum” (458). Ook het graduale “Domine, prevenisti eum” (509) eindigt op dezelfde manier!  Hetzelfde  Alleluia, maar gevolgd door een ander vers+melodie komt voor in de eerste week van het jaar (258) en op het apostelfeest (463).

Offertorium “Super flumina Babylonis” : bracht het introitus reeds een herinnering aan de tijd van de Babylonische gevangenschap, het offertorium brengt het ons overduidelijk! - Aan Babylons stromen zaten wij en weenden, toen wij aan u dachten, Sion. - Een gezang vol heimwee, stil klagen en wenen om het verloren Sion, het heerlijke Jeruzalem dat verwoest is, tegenover het luxueuze Babylon met gruwel en gevangenschap.   Iets klagend vangt “Super flumina” aan en eindigt laag op do. Dit gaf precies het voorbeeld om bijna alle woorden als afzonderlijke melodietjes te bewerken! “Babylonisch” schijnt met de hele do-ladder, van laag naar hoog, de toren van Babel te willen uitbeelden. De 2e zin mag nog eens met “sedibus” naar do opstijgen, maar wordt met sibé wat meer droef afgesloten.  “et fletibus” wil het stille wenen met een eenvoudig op-en-neergaan van re naar la weergeven. De 3e zin wil een blijde herinnering zijn aan de verloren heerlijkheid: “recordaremur” wordt 2 maal met hoogtepunt do gezongen en het slotwoord “Sion” wordt breed uitgezongen met een motief dat herhaald wordt en verder naar tonica re afdaalt.

Communio “Memento verbi tui”: - Gedenk het woord, Heer, aan uw dienaar gesproken, waardoor Gij mij hoop hebt gegeven. Dat is mijn troost in mijn ellende. - Met ellende en gevangenschap durft de mens zich met een ander “memento” tot de Heer richten, met een eenvoudig nederig gezang:
de 1e zin, “Memento verbi tui” wordt best vlot in één adem gezongen tot “Dominus”. Opmerkelijk in die zin, is dat alle woordaccenten met slechts één noot, verkeerd benaderd worden en het zwakke woord- deel telkens met een clivis eindigt! De handschriften vragen hier over heel de lijn celeriter, dus vlug, vertellend bijna met de tekst omgaan. De zin wordt verder iets meer zangerig, mooi afgesloten.  De 2e zin, “haec me” klinkt dankbaar naar de Heer toe en bereikt zo de hoogste noot si, maar “consolata” krijgt afdalend nog de mooiste melodie, om met een bewust klagend “humiliate” te eindigen.