25e zondag door het jaar

Introïtus”Salus Populi” : - “Ik ben het heil der volkeren” zegt de Heer “wie Mij aanroept in alle nood: ik zal hen verhoren en wil hun Heer zijn in eeuwigheid.”- Veel introïtussen van de zondagen na Pinksteren danken God om zijn genade en zijn heerlijkheid, maar meer nog zijn het gezangen om hulp en verhoring! Vandaag geeft God antwoord aan dit smeken: “Salus populi” -Ik ben het heil der volkeren en zal hen verhoren!- Nog eenmaal zullen wij zijn stem in die richting horen: op de 33e zondag: “Dicit Dominus”. Dit zegt de Heer: Ik sluit met u een verbond van vrede! Waar in dit laatste, geschreven in de 6e modus, de toon heel wat blijer klinkt, heeft het huidig gezang, door de strengere 4e modus en een melodie die zich overwegend met kleine afstanden, namelijk secunden en tertsen beweegt, een waardig rustig karakter:  God zelf is aan het woord!  Heel de eerste zin weerklinkt eenvoudig binnen de noten mi-la met slechts eenmaal de re en de sibé! “Salus Populi” klinkt met de tristropha op de beginnoot fa als een plechtig beloven. “Ego”  -ik, God- krijgt een iets breder dalend melisme. Met “Domine” sluit de zin weer eens verrassend af met de opstijgende pes -mi-fa-. Hierdoor kan de tweede zin “De quacumque”  met re-sol aanvangen en verder helemaal tussen de hogere noten -sol-do- ontwikkelen, zo wordt het belangrijke woord ”tribulatione” mooi versierd als hoogtepunt gezongen! Het uitnodigende “clamaverunt ad me” is grotendeels in “exaudiam eos”  terug te vinden. De derde zin klinkt als een plechtig beloven met het syllabische “et ero il(lo)rum” dat nog meer overtuigend klinkt wanneer de oudste versie gevolgd wordt, die op “e(ro)” niet enkel de noot la, maar de pes -solla- vraagt! Met de grootste melodische septiemwending re-do bij de woorden “in perpetuum” : het zal voor altijd zijn! wordt afgesloten.   Merkwaardig is de hoeveelheid motieven van de 20e zondag door het jaar “Protector noster” (323) in huidig introïtus voorkomen: eenzelfde aanvang “eos” hier, is “una”  daar, een tweede “Dominus ”  hier, is daar “in atriis tuis” en beide gezangen sluiten af met eenzelfde, wat meer uitgebreid motief!

Graduale (C) ”Quis sicut Dominus  komt van quatertemperwoensdag van september.
Een gezang dat mooi programmatisch naar de tekst bewerkt is.
-Wie is als de Heer, onze God, die in den hoge woont en neerziet op wat gering is in de hemel en op de aarde? De behoeftige  tilt Hij uit het stof en de arme beurt Hij uit het slijk -.
De tekst “Quis sicut Dominus” zingt echt als een eenvoudige vraag, met een op- en neergaande melodie.  “Deus noster” vervolgt heel rustig, enkel op de noten -fa sol la-. Met de terts –fa sol la-  mag “qui in altis habitat” blij hoger gezongen worden . In de 2e zin maakt sibé “humilia” wat treurig, “caelo” zingt terug hoger en “terra” daalt diep af naar re onder de tonica! Het vers lijkt het ‘tillen uit het slijk’ met wat moeite te laten gebeuren door “suscitans”: een eerste fragment wordt herhaald, nogmaals deels herhaald, maar het laatste melisme  lijkt een optillen te willen zijn, van heel diep, naar heel hoog!  
In de laatste zin krijgt “stercore”, het slijk, ook aandacht door een hoger en breder zingen.

Alleluia “Confitemini Domino”: Die woorden roepen ons de eerste jubelzang van paaszaterdag in herinnering! Het gaat hier echter om psalm 104 die enkel met dezelfde twee woorden begint, maar met een andere tekst vervolgt: -Verkondig zijn daden onder de heidenen.- Een getransponeerde tweede modus zorgt al voor geen te uitbundig klimaat en bouwt een melodie op rond de tonen la en do! “Alleluia” begint en eindigt met sol en heeft do als centrale noot: het lijkt dus meer een achtste modus te zijn. De korte jubilus neemt een vlucht naar hoogtepunt sol, dat in het vers niet meer zal bereikt worden (buiten de herhaling bij het slot). Dit vers is opgebouwd rond de drie werkwoorden: “Confitemini - invocate - annunciate”. Het is best “Confitemini Domino” in één adem te zingen. Bemerk dat “Domino” deels de herhaling is van “(Alle)lu(ia)”! Het melisme op “invocate” dient soepel gezongen te worden en het binnenste klinkt beter als de ademhaling verplaatst wordt tussen “nomen” en “eius”. Tenslotte wordt “annunciate”, gevolgd door ”inter gentes”, het hoogst en meest breed uitgezongen.   “opera eius” mag de Alleluia-melodie herhalen.

Offertorium “Si ambulavero” : - AL ga ik door de diepste ellende, Gij doet mij leven, Heer: en de woede van m’n vijanden zult Gij afweren met Uw hand, en Uw rechterhand heeft mij gered.- Een psalmtekst waarin het gaat over het zekere vertrouwen in de goddelijke bescherming en beveiliging bij alle tegenspoed en beproeving: een soort “Amen”  als bevestiging op de tekst van de introïtus.
De zinnen 1 en 2 beginnen en besluiten op eenzelfde manier in een rustige achtste modus, af en toe wat levendiger gemaakt door een kwartafstand. Daar beide zinnen feitelijk één grote zin zijn, worden ze best wat vlug na elkaar gezongen in plaats van door een groot rustteken (zoals aangeduid) te worden gescheiden. De derde zin, waar het gaat over “de woede van m’n vijanden”,  start ook op dezelfde manier, maar mag “meorum” analoog met “tribulationes”  van de eerste zin tot re afdalen. Met “extendes manum tuam”  slaat de toon helemaal om in een soort paasvreugde en kreeg “extendes” de exacte melodie van “surrexit” uit het offertorium “Angelus Domini” (217) van de 2e paaszondag. “Manum” mag het hoogtepunt mi bereiken en “tuam” laat met de afsluitende clivis
-si la- aanvoelen dat de zang nog verder gaat. “Et salvum me” wordt door zijn eenvoudig zingen tussen alle uitgebreide melismen duidelijk in de belangrijkheid gesteld.

Communio “Tu mandasti”:  Al schijnt de tekst voor een wat schuldbewuste zondaar bedoeld, die de Heer om bijstand vraagt, de eerste zin zet toch iets majestatisch, hoog op dominant do, in. “Tu mandasti” -Gij God-  Gij hebt bevolen! En met slechts een viertal noten gaat “mandata tua” -Uw geboden- verder en klinkt “custodiri nimis” -ik zal ze immer onderhouden- mooi melodisch, overtuigend! De 2e zin klinkt iets minder zeker. Hier wordt de Heer om hulp gevraagd, om de goede weg op te gaan. De melodie beweegt zich overwegend met de noten la, sibé en do. In hetzelfde klimaat gaat de 3e zin verder: met het op en neergaande motief van “ad custodiendas” dat in “iustificationes” herhaald wordt, wordt de zin verder golvend afgewerkt.