24e zondag door het jaar

Introitus “Da pacem” : Geef vrede, Heer, aan wie op U hopen, toon dat uw profeten de waarheid hebben gesproken. Verhoor de gebeden van uw dienaar en uw volk, Israel.- Kan de mens iets meer mooi en noodzakelijker aan de Heer vragen dan “vrede”! Eindigt elke mis niet met “dona nobis pacem”, als slot van het “Agnus dei”? Vandaag begint de mis ermee: “Da pacem Domine”, dat start zoals “justus”  vorige week ook begon en ons “”Gaudeamus” en  “Rorate” oproept, en eveneens “Statuit”  (455) van o.a. “St Donatianus” ,waar de melodie van de eerste zin volledig werd overgenomen!   In dit smekend zingen speelt de noot sibé een voorname rol met twee, steeds herhaalde, motieven: -la sibé sol-, bij “Domine”, “tui”, “preces” en “tue”. Ook het smeken van
“Da pacem”, met 2 maal -la sibé la-, keert terug in “Domine”, “fideles”, en “exaudi”. Het eenvoudig smeekgezang bereikt slechts 2 maal de hoogste noot do: In de 1e zin: bij “Domine”: -een opblikken naar de Heer-. In de 2e zin bij “inveniantur”: -het naar waarheid bevonden worden van de profeten-. Verder verloopt alles in het lagere deel van de modus.

Graduale “Laetatus sum” : - Ik ben verheugd om wat gezegd is: naar het huis van de Heer zullen wij gaan.- Het gezang komt van de 4e vastenzondag, waar het ook nog steeds gezongen wordt. De 7e modus zorgt voor een verheugd zingen van de tekst:  het 1e vers werd drieledig uitgewerkt. In zijn geheel: één grote arsis-thesis beweging.”Laetatus” kent een rustig begin rond de noot re. Het vervolg voert verder voortdurend naar hoogtepunt sol, met een onrustige melodie van kwartafstanden. Het 3e fragment “in domum Domini” laat de rust terugkeren en eindigt diep op tonica sol.
In het vers mag ”Fiat” ook met een kwart opstijgen, en “pax” herhaalt heel de melodie van “sunt mihi”: een motief waarmee ook “(abundanti)a” afsluit.

Alleluia “Timebunt gentes” :-De heidenen vrezen uw naam, Heer, en alle koningen van de aarde uw heerlijkheid-. Een alleluia met een lange jubilus, waarbij het eerste deel 2 maal gezongen wordt: een mooie zang die rustig, overwegend in secundengangen beweegt. Het ontbreken van het gezang in de oude gradualen, wijst op een jonger ontstaan! De tekst van het vers is niet om te jubelen
-De volkeren vrezen uw naam en alle koningen van de aarde uw glorie! Heel de eerste zin verheft zich nergens boven de la. Bemerk de laatste 2 jubilusdelen in “nomen tuum”,  en “Domine” daalt zelfs uiterst nederig tot de laagste noot si! De koningen, “reges”, worden wel met iets luister hogerop tot do gezongen, maar de glorie van de Heer is onuitsprekelijk! “Gloriam tuam”  wordt eerst met voorzichtig opblikken van do naar la, dan met een heel diep neerbuigen tot la gezongen. Verder wordt “tuam” met een klassiek herhalen van de hele jubilusgeëindigd.

Offertorium “Sanctificavit Moyses” -Mozes wijdde de Heer een altaar, bracht daarop brandoffers en slachtte offerdieren. Hij bracht een avondoffer tot een liefelijke geur voor God de Heer, ten aanschouwe van de kinderen van Israël -. Een tekst uit de Exodus, waar Mozes met Gods hulp zijn volk uit Egypte heeft gered en nu de Heer dankt. Het is een nogal lange tekst waarvan de meeste woorden in een wat belcanto stijl heel melodisch werden bewerkt. “Sanctificavit”  start gewoon rustig. “Moyses” krijgt een eerste hoogtepunt en begint met het groot -fa la do- akkoord zoals ook “altare”. De zin verloopt verder met melodieën tussen fa en do. Waarom de 2e zin met “holocausta” eindigt en het vervolg van de zin “et immolans”  als een nieuwe heel lange zin begint en met die tekst naar het hoogste punt mag gaan, is niet te begrijpen. Het vervolg “fecit sacrificium” beweegt zich met een 5-tal noten rond dominant do. “In odorem” krijgt nog eens de -fa la do- noten en verder verloopt de melodie iets lager. Bemerk het afsluiten van “Deo”,  dat een herhaling is van “Domino” en “vespertinum”.  De laatste zin lijkt een soort vermoeid uitblazen in de laagte, om met “filiorum Israel” nog een op- en neergaande beweging te maken.

Communio (A)“Tollite hostias” : - Neem uw offergaven mee en treedt in zijn voorhof. Aanbidt de Heer in zijn heilig paleis.- Het eerste psalmvers spreekt van een handeling,  het tweede is een  overweging op ons uiteindelijk verblijf in het hiernamaals.  Met de twee werkwoorden: “Tollite” en “introite” wordt hoog aangevangen als een rustig stappen in een offergang. Daartussen mag “hostias”, wat meer versierd, onmiddellijk de hoogste noot -mi-laten horen! De melodie gaat rustig verder op 3 kleine tertsnoten: -do si la-.  In de tweede zin wordt de sfeer van aanbidding mooi uitgedrukt. Plechtig neerdalend klinkt “adorate Dominum”. Zoals de handschriften hier aanduiden, vinden wij terecht episemas op alle lettergrepen: een zalig neerbuigen voor Gods majesteit!
“in aula” toont wat gelijkenis met “eius”, waarmee de eerste zin eindigt.
De slotwoorden “sancta eius” zijn een minder rustige omspeling van de noot -si-. Wil het niet een wijzen zijn op ons heden verblijf op hier op aarde, om dan die heerlijkheid te mogen intreden?
Opmerkelijk is ook de ritmische constructie van die laatste zin: de eerste woorden zijn gebouwd op
2-notengroepen, clivissen, en de laatste woorden op 3-notengroepen, torculus en climacus.