23e zondag door het jaar

Introitus ”Iustus es Domine” :-Rechtvaardig zijt Gij, Heer, en uw oordeel is juist. Behandel uw dienaar volgens uw gerechtigheid.-   Met een soort Akte van geloof begint ons gezang: “Heer, Gij zijt rechtvaardig, wat Gij bepaalt en beveelt is rechtvaardig!” De eerste zin laat “Iustus”  met de bekende kwintsprong, eigen aan de 1e modus, een mooie start nemen om vlot de hoge do van “iudicium” en “tuum” te bereiken: een techniek die ook in andere 1e modus-introïtussen gebruikt werd. Zie “Suscepimus Deus” van 2 februari (543). Bewust van de tekst, zingt het afsluitende “tuum” overtuigend op -lasidola la-. Met de noot la start de tweede zin voor een hoge arsis tot de noot mi bij “servo tuo”, en een thesis die het eindwoord “tuam” op tonica re terugbrengt. Die zin stelt wel een probleem: na de hoge “tuo” vinden we een ademhalingsteken, en na “secundum” een komma. Het mooiste zou zijn om de hele zin in één ademhaling te zingen, maar slechts koren met afwisselende ademhalingstechniek kunnen dit aan. Zeker is hier aanbevolen om voorbij het streepje, tot aan de komma, door te zingen en “misericordiam” vlot aan te sluiten, dat met wat lagere noten wat deemoedig wordt gezongen.

Graduale “Beata gens” : -Zalig het volk dat de Heer heeft als God, het volk door Hem tot erfdeel gekozen.- Dit typisch, heel melodisch graduale gaat in de 3 zinnen nooit boven de noot do! “Beata gens” beweegt van tonica re naar dominant la en terug. “Dominus” bereidt de weg voor het hoogtepunt van “Deus”, en “eorum” eindigt met de ritmische formule van de voorzin. Hoog en breed te zingen, begint de 2e zin met “populus”. Met mooie melismen, niet hoger dan la voor “elegit” en niet hoger dan sol voor “Dominus”, dat hier het laagst op do eindigt, komen we aan de 3e zin, die deels syllabisch “in hereditatem” voor het laatst ook naar do mag opstijgen. Met een herhaald motief van -la sollasol mi + sol fasolfa re- sluit “sibi” af. Zoals gebruikelijk maakt het vers een grotere uitbreiding van de tekst. Kwam hier oorspronkelijk geen solozanger aan de beurt, De zang beweegt zich vaak levendiger hogerop! De eerste zin houdt het hier echter slechts bij de noten –la sibé do- en “caeli” en “spiritus” bereiken maar re als hoogste noot! De tweede zin daalt af naar “eius” en eindigt zoals ook “Dominus” eindigt in het eerste deel.

Alleluia “Domine, exaudi” : -Heer, verhoor mijn gebed, en mag mijn geroep U bereiken.- Alweer met een zangerige melodie van de 7e modus wordt naar de Heer toegezongen. Met de onmiskenbare psalmtoon van de modus, die verder nog driemaal zal herhaald worden, vangt “Alleluia” aan. Een eerste jubilusdeel wordt de lucht ingegooid, een tweede herneemt het motief iets lager en sluit af. Met de herhaalde psalmtoon zet “Domine” in. Heel smekend gaat “exaudi” tot la omhoog, een melodie ons bekend van het Alleluia “De profundis” (367) waar “Domine exaudi”  precies dezelfde melodie heeft! In de 2e zin wordt “meus” hoog en breed gezongen om met “ad te veniat”, de hele Alleluiazang te herhalen.

Offertorium “Oravi Deum” : -Ik, Daniël, bad tot mijn God en zei: Heer, verhoor de gebeden van uw dienaar; laat de glans van uw gelaat stralen over uw tempel, en zie genadig neer op dit volk, waarover uw naam is aangeroepen, God.- Jerusalem werd veroverd, de tempel verwoest, de Joden in gevangenschap naar Babylon gevoerd.  Zo bidt de profeet Daniël tot God!  Heel nederig klinkt de 1e zin, om vervolgens met de kreet “Exaudi”  naar de Heer te roepen en “Domine” met dalende secunden te laten vervolgen. Het laatste woord “tui” eindigt met een opstijgende fa, om de 3e zin met -re sol- bij “illumina” een mooie opgang naar “faciem” te laten maken. Daar het hier gaat “over” de tempel, wordt dit “super”  met een reeks van  5 maal do belangrijk gezongen. De 4e zin: “et propitius”  start met een intonatie van de 8e modus  -Zie genadig neer-, maar laat “intende” nederig met mi eindigen. Het gezang eindigt met een lang melisme op het woord “Deus”, waarbij de dalende tertsafstanden een gevoel van smeken oproepen.

Communio “Vovete”-Doe geloften aan de Heer, uw God, en vervul ze, gij allen, die de Geduchte met offers omringt, Hem die machtigen de moed ontneemt en schrik verwekt bij alle heersers der aarde.- Weinig communio’s hebben een zo ernstige, schrikvolle tekst als deze. De meeste zijn verhalend of zingen van hoop of bewondering. In de 1e zin komt de vrees voor de Geduchte al tot uiting in de  tweemaal tristropha op “Domino (Deo) vestro”. Bij “Domino” dient het woordaccent toch in acht genomen te worden, daar de tristropha op de volgende zwakke lettergreep voorkomt. Bij ”circuitu eius” beschrijft de melodie een mooie cirkel. De 2e zin begint met “terribile”: een uitroep van schrik, die heel de zin verder blijft beheersen. Het tweede “terribile”  klinkt lager en is met heel de laatste zin meer een uiting van eerbied voor de Almachtige!