22e zondag door het jaar

Introitus ”Miserere mihi” : -Wees mij genadig, Heer, want heel de dag roep ik u aan. Want Gij, Heer, zijt goed en vergevingsgezind en rijk aan barmhartigheid voor allen die U aanroepen -  Het eerste woord laat vermoeden dat het om een klaagzang zal gaan, maar dat is het helemaal niet: “Mijn Verlosser leeft” en Hij zal ons dagelijks aanroepen mild aanhoren! Dit wordt al mooi gezongen  in het opstijgen naar “Domine” , en dat het de hele dag betreft wordt duidelijk met de twee tertsen en de drie notengroep “tota (die)”. Het 1e deel van de 2e zin heeft maar een kleine  toonomvang, met overwegend de noten –si do re-. De tekst, waar het gaat over Gods goedheid en mildheid, vraagt een wat trager, inniger voordracht tot “copiosus”  glorievol de hoogte ingaat, en “misericordia” ook blij laat klinken.  “omnibus” krijgt aandacht met een tristropha ,en mooi zangerig wordt met “invocantibus te” geëindigd.

Graduale “Timebunt gentes” :– De volkeren zullen uw naam vrezen, Heer, en alle vorsten van de aarde uw heerlijkheid – Dit werd oorspronkelijk gezongen op de 3e zondag na Epiphania, maar hier is sprake van alle vorsten van de aarde, “omnes reges”! Het vers “quoniam aedificavit” jubelt het uit om de heerlijkheid van Sion, maar in het 1e deel wordt de Heer door de volkeren en de koningen, met vrees, benaderend toegezongen.  Het begint laag, om “nomen tuum” mooi melodisch naar het eerste hoogtepunt te brengen en heel eenvoudig met slechts drie noten “Domine” te eindigen. Met de eindnoot fa gaat de 2e zin verder, met een soort modulatie, waarbij de noot si bij “reges terrae” een grote rol speelt. Wat verwonderlijk en zeker weinig glorieus dient “gloriam” rustig in de laagte gezongen te worden en mag “tuam” met een nieuwe hoge vlucht eindigen.

Alleluia “Cantate Domino”: – Zing een nieuw lied voor de Heer, want wonderen heeft Hij gedaan –
Na het graduale dat wat eerbiedig, bewonderend begon en uitgroeide tot een vreugdevol zingen, gaat het Alleluia met die blijde sfeer verder!  “Cantate” zet breed in met de feestelijke kwintsprong en de 2 pressussen op sol, die de aanloop naar do dienen voor te bereiden. Ook “Domino” mag met een kleine aanloop van hoogtepunt do genieten. Dan gaat het wat rustiger met ”canticum novum” naar tonica re toe. De nazin plaatst terecht het woord “mirabilia” in het licht, met een nieuw op- stijgen naar hoogtepunt do en een terug afdalen met 3 maal een kleine stop op de pressus fa!
“fecit Dominus” herneemt de melodie van het “Alleluia”.  Waar de tekst hier spreekt van” grote bewondering” voor de Heer, zingt het Alleluia van de 28e zondag (352) van “groot vertrouwen”  in de Heer, maar dit met exact dezelfde melodie! Het lijkt moeilijk te achterhalen wat hier de originele compositie blijkt te zijn. In de oudste handschriften werd “Cantate” niet genoteerd en in graduale Einsiedeln staat enkel de tekst zonder de neumen! Laat dit niet veronderstellen dat de koorleider de melodie niet hoefde aan te brengen, daar hij ze goed kende van het andere gezang?

Offertorium “Domine” :– Heer, zie het toe om mij te helpen: maak hen verlegen en beschaamd, die zoeken mij het leven te ontnemen – Een zang met een uitzonderlijk verloop: het werd geschreven in de A-B-A vorm: het slot is de herhaling van het eerste vers. Zo is ons maar één tweede voorbeeld bekend, nl. het offertorium van de 22e zondag (368): “De profundis”. Waar de melodie bij dat laatste meer beweging kent, is huidig offertorium een uiterst rustig gezang, dat vraagt om zacht en sereen gezongen te worden. Het beweegt slechts onderaan de modus en gaat niet hoger dan de noot la. De nogal wat verdubbelde noten remmen al de beweging af. Eenvoudiger dan dit “Domine” kan de Heer niet nederig benaderd worden. Het woord “meum” krijgt de meeste aandacht, een aandacht die de tweede zin met “confundantur” vervolgt en ook bij “auferant” deels herhaald wordt. Speciaal is de afsluiting van het laatste woord “eam” met de kwartval -fa do-, waardoor de eerste zin schijnbaar als vanzelfsprekend dient herhaald te worden. Iets wat bij “De profundis” niet het geval is: daar zou zonder herhaling kunnen geëindigd worden, daar de laatste zin op de tonica eindigt.

Communio (A)“ Qui vult venire” : Mattheus schreef dat Christus voor de apostelen zijn eerste lijdens- voorspelling deed en hen daarna toesprak: - Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen. - Deze gewichtige tekst werd in 4 halfzinnen verwerkt, waarin de werkwoorden “venire - abneget - tollat crucem - sequator” de grootste melodische bewerking kregen. De 1e halfzin stapt vlot over de eerste woordjes, om in gebonden stijl “venire post me” breed te zingen en op tonica re te eindigen. Het wat gevreesde woord “abneget”, wordt in zuivere secundenbeweging opstijgend naar sibé, naar fa teruggebracht.  “semetipsum” eindigt de zin met een wat verrassende kwartval op de noot mi, die laat aanvoelen dat de zang verder gaat. Bij het volgende woordje “et” vinden wij in de handschriften: ‘statim’, onmiddellijk! De grote baar dient hier dus niet onderhouden, maar rustig doorgezongen te worden. De volgende zin is wat minder rustig: “tollat crucem” gebeurt met meer tertsafstanden en een kwart. Het laatste fragment maakt het woordje “et”, als met een opgestoken vinger, belangrijk met hoogtepunt do. Kalm afdalend wordt met “sequator me” geëindigd.