21e zondag door het jaar

Introitus “Inclina, Domine” :– Wend , Heer, uw oor tot mij; verlos uw dienaar, mijn God, die vertrouwen op U stelt. Ontferm U over mij, Heer, want de ganse dag roep ik tot U -  Een tekst van een eenvoudig bidden tot de Heer, met centraal een uiting van zeker vertrouwen op God: “Deus meus, sperantem in te” – Mijn God, ik hoop op U – dat in een mooi op- en neergaand zingen wordt uitgevoerd. “Inclina” start met een bekend feestelijk motief maar de hele halfzin beweegt verder simpel rond dominantnoot la, om wat wonderlijk in de laagte te besluiten.  De 2e zin “Salvum fac servum tuum”  is gebouwd rond de noot sol, en dan komt “Deus meus”, dat met overtuiging en eerbied, breed dient gezongen te worden: ieder woord is een stukje melodie op zichzelf en eindigt met een dalende noot: “Deus” –sol fa-,”meus” –sibé la-, “sperantem” –la sol- en “in te” –sol fa-.
De 3e zin, “miserere mihi” herneemt het nederig, vragend karakter en laat “quoniam” met een soort omgekeerd “de profundis” – motief de moduskelder indalen. “clamavi” mag terug bovengronds klinken, en dat het om “alle dagen” gaat, bewijst de tristropha van to-(ta die)”

Graduale “Bonum est confiteri Domino” : - het is goed de Heer te prijzen; uw naam te loven, Allerhoogste . Vroeg in de morgen uw barmhartigheid te roemen, en uw trouw gedurende de nacht.-     Het 1e deel klinkt als een dankbaar vreugdevol gezang.  Waar “Bonum est” als een rustige mededeling zingt, gaat “confiteri Domino” overtuigend hogerop. De tweede zin blijft in het hoge register verder gaan, overwegend met de noten –la do re-. “Altissimi” zet die techniek verder, om met een jubelmotief het lange melisme, tot mi, uit te breiden en te besluiten!
Het vers zet die vreugdevolle sfeer verder met allerlei motieven, eigen aan de 5e modus.
Het is een soort mooi concertant zingen, waar het woord “mane”, de morgen, een groot melisme krijgt tot aan de hoge sol!  “misericordiam” dient het wat rustiger te doen, ook grotendeels met slechts 3 noten: -do re mi-  -“et veritatem” herneemt de inzet van “misericordiam”, en tot slot mag “noctem”, de nacht, tot de lagere tonica fa afdalen.

Alleluia (A) “Tu es Petrus” : - Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen -
Dat Alleluia komt van het feest van de apostelen Petrus en Paulus (29 juni), in volle zomertijd nu te vieren, maar voorheen op 27/28 december! Dat verklaart de melodie van Alleluia en vers, die volledig naar de kerstmelodie opgemaakt werden, met uitzondering van de aanhef!  Waar Petrus eens met volle overtuiging zei: “Gij zijt de Christus!”, klinkt nu omgekeerd: “Tu es Petrus!”.   Zo komt “Tu es Petrus” overtuigend, gebiedend, met een breed te zingend “Tu” en de hoogste noten -fa sol la- mooi tot uiting. Geheel de verdere tekst is aangepast aan de kerstmelodie. Een eerste mooi versierde zang krijgt het belangrijke woord “petram” - steenrots -, die het hoogtepunt van de zin haalt. Kunnen we in “adificabo” - zal bouwen - , met een langzaam opstijgende zang met pressussen en torculus, niet het opbouwen van de “Ecclesiam meam” ,- de Kerk -, voorstellen?

Offertorium “Exspectans” : – Vol verlangen verwachtte ik de Heer. Hij zag op mij neer en verhoorde mijn smeken; en Hij legde een nieuw gezang in mijn mond, een lied voor onze God. –
Dit schijnbaar 5e modus gezang ervaren we enkel omdat het laatste woord op fa eindigt! Het hele gezang lijkt meer in een getransponeerde 2e modus te staan, waar centraal de noten la en do de hoofdrol spelen! De eerste 3 woorden brengen al een duidelijk opblikken naar God en de zin besluit iets triomfantelijk met “respexit me” op do. De 2e zin begint en eindigt met la. De melodie kent een rustig verloop, met slechts een 4-tal noten, die nergens boven re uitkomen.  De 3e zin: “et immisit” herneemt de melodie van “et respexit”, die start met de psalmtoonen verder een blij zingen ontwikkelt met een modulatie naar do, bij “canticum novum”. De vreugde gaat verder in het 4e deeltje met “hymnum Deo”, maar het laatste woord “nostro” zet ons wat verrassend neer op fa: de tonica van de 5e modus.

 

Communio “De fructu” : -  Met de vrucht van uw werken, Heer, zal de aarde zich verzadigen, Gij laat de aarde brood voortbrengen en wijn die het hart van de mens verblijdt, olie om het gelaat te zalven en brood dat het hart van de mens sterkt. -  Dit is een mooi danklied om de weldaden van de oogst dat eenvoudig, verhalend dient gezongen te worden. De 1e zin wordt bijna syllabisch gezongen op een 3-tal noten: -fa sol la-, eenvoudig steunend op de woordaccenten. De belangrijke, afsluitende woorden “satiabitur terra” kregen wat grotere melodische bewerking. De 2e zin gaat in dezelfde sfeer, maar iets crescendo,  verder. Iets meer versierd, bereikt “vinum” met sibé, het blijde hoogte-
punt, de do van “laetificet” voor. Hierna schijnt wat ontnuchtering te komen, want “hominis” eindigt laag op re! Ook de 3e zin zet in met –fa sol la- gelijk de vorige zinnen. Het meer versierde “exhilaret”,  bereikt ook het hoogtepunt  do, maar “oleo” daalt, met het eindmotief van “hominis”, nog een toon lager neer. Klinkt de nazin niet dankbaar en vredig gelukkig?