20e zondag door het jaar

Introitus “Protector noster” :- God, onze beschermer, wend uw blik niet af; zie naar uw Gezalfde.
Want één dag in uw huis is beter dan duizend daarbuiten. -   Een 4e modus, 2 zinnen, 4 halfzinnen en een mooi bewegende melodie: “Protector” zet in op fa en gaat crescendo omhoog over “noster” naar de do van “aspice”, om met “Deus” in golvende beweging op tonica mi te eindigen. Een nieuwe start bij “respice” brengt de melodie naar het hoogtepunt, het belangrijkste woord: “Christi”, uw Gezalfde.
Het afsluitende “tui” eindigt op dominant la, met een motief dat herhaalde malen de si laat horen.
De 2e zin laat “quia” en ook “melior” dat motief herhalen, maar nu wel met sibé!  Twee belangrijke
woorden van die zin: de “ene dag” en “duizend andere” worden duidelijk naar voor gebracht:
“una” , door een vloeiend melisme met herstelde si, en “millia” met het langste melisme, vol beweging.

Graduale ”Bonum est” : - Het is beter op de Heer te vertrouwen dan op de mens. Het is beter op de Heer te hopen dan op vorsten. - De keuze tussen God en mens, die in de tekst van het introitus al benaderd werd, wordt met de psalmtekst van dit graduale overduidelijk herhaald en in een 5e modus belcanto uitgezongen. Waar de beginwoorden: “Bonum est confidere in Dominum” nog een rustig aanbrengen zijn, neemt “quam confidere in homine” een niet verder te stuiten vlucht met melodische wendingen, eigen aan de 5e modus. (vgl. “propitius esto”(288)+“convertere Domini”(295).

Alleluia (B) “Caro mea” :is het alleluia van het feest van H.Sacramentsdag naar aanleiding van het evangelie waarin Christus verkondigt: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald”!
“Caro mea” is een feestelijk gezang, afkomstig van het alleluia “Laetabitur iustus”, (479) van een verdwenen mis voor een martelaar.  Daar de melodie oorspronkelijk voor een andere tekst geschreven werd, is hier dus weinig samenhang tussen tekst en melodie, die een blij zingen is in de 7emodus.  Het vers laat de eerste halfzin met “Caro mea” rustig starten.  Met de kwintsprong bij “sanguis meus” wordt de tekst een zeker geweld aangedaan, en met het gejubel bij  het hoogtepunt op “potus”  - drank – gaat het nog verder!
manducaverunt” herneemt het motief van “potus”.  “meam carnem” duikt omlaag en schijnt bij aankomst op tonica sol de zang te willen besluiten. Maar neen, met een nieuwe psalmaanhef bij
“et bibit” krijgt de melodie een vervolg die na  “sanguinem” ook zou kunnen eindigen, maar “in me manet” krijgt de volledige herhaling van Alleluia met Jubilus.

Offertorium ”Immittet angelus” : - De engel des Heren zal met zijn bescherming hen omringen die Hem vrezen, en hen redden. Proef en zie, hoe zoet de Heer is. -   Dit is een blij gezang vanuit een rustige zekerheid: wat er ook gebeurd, de Heer is ons nabij!  De melodie beweegt zich uitsluitend binnen de eerder beperkte ruimte van 6 noten, van (fa)sol tot do(re). “Immittet” zet in met de melodie van “Vidi aquam”! Het motief van “angelus” keert terug in “(ti)-menti-(um)” en het op- en neergaande zingen bij “circuitu” komt verder terug bij “(vi)-dete” en “Do-(minus)”. Merkwaardig is  het woord “Domini”, waar ieder lettergreep met –lasido- begint! Wat verrassend eindigt de lange voorzin met sibé bij “(timenti)-um”.

Beslist omdat het hier om “vrees” gaat, maar de nazin neemt overtuigend het blijde karakter terug. Waar de 2e zin een andere tekstinhoud heeft, heeft ook de melodie een vlottere beweging met grotere toonafstanden. Tot slot wordt “Dominus”, de Heer, dankbaar geëerd met de langste melodie.

Communio (B) “Qui manducat” : is ons ook bekend van het feest van het H.Sacrament!
- Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij, en Ik in hem, zegt de Heer. –
De gezangen waar de Heer zelf aan het woord is, worden altijd met een zekere terughouding benaderd. De voorzin, waar het gaat over "brood eten”, wordt laag, grotendeels op fa gezongen:
een rustige aankondiging. Waar het vervolgens over drinken gaat, wordt vlug het hoogtepunt do bereikt. ”in me manet” sluit de zin dalend af als een rustig beloven. Wat verbazend werden de twee belangrijke woorden: “carnem”  en “sanguinem” slechts syllabisch behandeld. De neumen vragen echter duidelijk om beide woorden breed te zingen! “meum” eindigt een terts hoger met het motief van “meam”. De nazin blijft in de laagte die belofte “et ego in eo” nog benadrukken. Merkwaardig dat de vrij toegevoegde woorden: “dicit Dominus” nog de langste melodische bewerking kregen!