19e zondag door het jaar

Introitus “ Respice, Domine”:– Blijf trouw, Heer, aan uw verbond, en vergeet niet voor altijd de zielen van uw arme volk. Sta op, Heer, verdedig uw zaak, vergeet de stemmen niet van hen die U zoeken. – Deze tekst werd terecht geplaatst bij het evangelie dat vroeger op deze zondag werd gelezen: over de genezing van de melaatsen.  Hier onder dient ook te verstaan: het opstandige, afvallige Joodse volk waarvoor Mozes en profeten God om genade moesten smeken!
De melodie is in 3 zinnen, evenwichtig met voor- en nazin, opgebouwd. Met de grote sprong -sol re- en een verder zingen rond dominant re, opent dit introitus met “Respice Domine”. Heel zangerig is”testamentum” bewerkt, en “tuum” eindigt met een klassieke slotformule eigen aan de modus. De nazin ”et animas” blijft rustig een toontje lager, op do zingen. Tristropha en bistropha op “pauperum tuorum” willen – het arme volk – duidelijk benadrukken, en “derelinquas in finem” mag toch naar re opstijgen, waardoor het smeken: - vergeet toch niet voor immer – sterker wordt! “Exsurge Domine” van de 2e zin heeft iets van een paniekerig smeken en neemt een hoge vlucht, die mooi naar “tuam” afdaalt.  De 3e zin is een smeken om verhoring, waarbij de herhaalde noten van “obliviscaris voces” die woorden benadrukken. Bemerk de melodische herhaling van “iudica” in “obliviscaris”.
Met een laatste aandringen, hoog en laag, mag “quaerentium te” besluiten. Nog mooier wordt het, en met duidelijker begrip voor de tekst, wanneer ‘ti” van “quaeren-ti-um” gezongen wordt volgens de aanduiding van de neumen: met –do re do re- , in plaats van –re dodo-!

Graduale (C) “Beata gens” : -Zalig het volk dat de Heer heeft als God, het volk door Hem tot erfdeel gekozen.- Dit typisch, heel melodisch graduale gaat in de 3 zinnen nooit boven de noot do!
“Beata gens” beweegt van tonica re naar dominant la en terug. “Dominus” bereidt de weg voor het hoogtepunt van “Deus”, en “eorum” eindigt met de ritmische formule van de voorzin. Hoog en breed te zingen, begint de 2e zin met “populus”. Met mooie melismen, niet hoger dan la voor “elegit” en niet hoger dan sol voor “Dominus”, dat hier het laagst op do eindigt, komen we aan de 3e zin, die deels syllabisch “in hereditatem” voor het laatst ook naar do mag opstijgen. Met een herhaald motief van -la sollasol mi fa - sol fasolfa re- sluit “sibi” af.

Alleluia “Domine, refugium” : – Heer, Gij zijt ons een toevlucht geworden van geslacht tot geslacht –
Weer eens een 7e modus die hier voor een feestelijk zingen zorgt!  Is het geen danklied om verhoring van de smeekbede die in het graduale gebeurde?  Het Alleluia met jubilus bestaat uit 4 deeltjes die allen tot mi opstijgen. Het zijn echt weelderige melodieën die hun eigen weg gaan en de verdere tekst ook niet zullen beïnvloeden!  Het vers bestaat uit 2 zinnen of 4 halfzinnen, die allen met een rustig slotmotief op tonica sol eindigen. “Domine” stijgt op met feestelijke secunden tot mi. 
Het woord “refugium”  laat met –re mi re si- en –do re do la- een imitatie horen  en sluit eveneens mooi af op sol. “factus” zet onmiddellijk een kwart hoger in en laat ook “nobis” even tot mi opstijgen
om de zin hier nu echt op sol af te sluiten. Een toon lager dan het 2e jubilusmotief, dat begint met
–la do mi-, begint het woordje “a” van de 2e zin met –sol si re-, maar laat “generatione” opstijgen naar hoogtepunt fa met een lange, jubelende melodie. Het slotwoord “progenie” mag de feestelijk zang van het alleluia herhalen. 

Offertorium “In te speravi” :- Op U hoop ik, Heer: ik zeg: Gij zijt mijn God, mijn lot ligt in uw handen.
Dit offertorium heeft veel gelijkenis naar melodie en inhoud met het offertorium “Ad te, Domine” van de 1e adventszondag. Beide gezangen stijgen uit de diepte op om hoger hulp te vragen en zingen
het woord “Domine” op dezelfde manier. Dit offertorium heeft toch een wat rustiger verloop. Na de 1e zin, opstijgend tot la, klinkt “dixi” heel overtuigend: - ik zeg het, ik weet het: Gij zijt mijn God!
“Deus meus” wordt terug, rond de spilnoten re en fa, enkel met secundenbeweging opgebouwd.
Af en toe een terts, is de grootste afstand die in het gezang voorkomt, vandaar de rust in de beweging. “in manibus” mag met overtuigende zekerheid terug hoger op gezongen worden. Als een beleefd, nederig aanbieden wordt met “tempora mea” besloten.

Communio (C) “Beatus servus” : - Gelukkig de knecht die de Heer bij zijn komst wakend zal vinden; voorwaar, Ik zeg u, Hij zal hem aanstellen over alles wat Hij bezit. - Er is iets speciaal met deze tekst die beide evangelisten, Mattheus en Lucas, met kleine verschillen geschreven hebben. Wij horen de versie van Lucas in het evangelie, maar zingen de versie van Mattheus in de communio! Die komt uit het gemeen der missen voor paus en bisschop.  Als een breed uitgetrokken stijgende en dalende lijn werden 2 zinnen opgebouwd. “Beatus servus” start mooi melodisch uitgewerkt. “venerit”  - de komst van de Heer - bereikt de hoogste noot re, en werd in gebonden lijn met torculus en climaccus versierd. Eenvoudig, zacht vloeiend afdalend, klinkt “invenerit vigilantem”. De 2e zin begint in spiegelbeeld met “(vi)gilantem” , het waarschuwende “amen dico vobis”.  In gebonden stijl gaat het syllabisch verder. Met een kleine tertsafstand krijgt “omnia” meer aandacht, en als een plechtige bevestiging wordt met de laatste woorden heel melodisch geëindigd.