18e zondag door het jaar

Introitus (A) “Sitientes” : - Gij die dorst hebt, kom naar het water, zegt de Heer;  ook gij die geen geld hebt, kom, drink met vreugde. - Deze uitnodigende tekst komt van de dinsdag uit de blijde vierde vastenweek “Laetare”. De tekst die uit twee eenvoudige zinnen bestaat, kreeg een frisse melodie in arsis-thesisbeweging, in een getransponeerde 2e modus.  “Sitientes” begint met de psalmtoon
-sol la do-. Het werkwoord “venite” stijgt hoger op en eindigt breed met een tristropha.  Naar de laagste noot fa, mag “aquas” afdalen. Heel eenvoudig, op -la si do- wordt de zin met “dicit Dominus”
besloten. De handschriften vragen toch wat verbreding om die laatste woorden, spijts de eenvoudige melodie, wat gewichtig te laten klinken.  De 2e zin is helemaal opgebouwd zoals de eerste. Zij begint ook met de psalmtoon, maar stijgt in tertsbeweging op tot hoogste noot mi, om zo het woord “non”
in het licht te stellen.  “habetis” komt van “venite”, die nogmaals in het tweede “venite” herhaald wordt.  “bibite” komt van “aquas”, en “cum laetitia” is gewoon de herneming van “dicit Dominus”.

Graduale”Benedicam Dominum” : - Ik zal de Heer altijd zegenen, zijn lof immer op de lippen hebben-
Een eigenaardig gezang  is dit graduale, dat zo wat zijn eigen weg gaat en breekt met de gebruikelijke normen van een gradualegezang. Waar het 1e deel gewoonlijk het lagere gezang is en het vers in de hogere tessituur terecht komt, is het hier net omgekeerd. “Benedicam” start lijk een 8e psalmtoon,
“in omni (tempore)” lijk de 7e psalmtoon. “tempore” en “(e)us”  krijgen een lange uitbreiding en een slot met dezelfde formule. Heel merkwaardig is, dat het 1e deel eindigt op la, en niet op tonica sol!
Het vers dient daarmee verder te gaan en te eindigen! De componist heeft het zich hier gemakkelijk gemaakt: door “in ore meo” dezelfde melodie te geven van “protege me” van graduale “Custodi me” (304). Die stond echter in de 1e modus en diende een kwint hoger getransponeerd te worden, om bij de 7e modus hier te kunnen aansluiten: vandaar de slotnoot la.

Graduale ”Oculi omnium” : van de vroegere 20e zondag door het jaar, nu van de 26e (343), werd alles, muziek en tekst, overgenomen. Terecht werd hier de psalmtekst, die het heeft over de voeding die allen van de Heer ontvangen, behouden. – De ogen van allen hopen op U, Heer, en Gij geeft hen spijs op de goede tijd. Gij opent uw hand en vervult al wat leeft met uw zegen  - Dat graduale is een zeer mooi melodisch gezang. De eerste zin vangt aan in de lage tessituur van de 7e modus. Met een kwintsprong bij “in te sperant” stijgt de melodie wat hogerop, om “Domine” in hoog gejubel toe te zingen! Ook “(et)tu” mag nog eens de hoogste noot sol zingen, maar dan wordt het, met mooi versierde woorden, afdalen naar “opportuno”, die een lang en mooi melisme kreeg!
Het brengt wat verwondering, dat het eerste woord van het vers: “Aperis”, op een onbeklemtoonde lettergreep, een zo lang melodie kreeg! Het lijkt op wat trapezespringen rond de do!
manum” neemt het motief van “(Domi)ne” over, en “benedictione” neemt de volledige, prachtige slotcadens van “opportuno” over.

Alleluia ”Domine Deus”:is een mooi levendig 3e modus gezang. Het “Alleluia” begint laag rond tonica mi, maar springt met “-luia” de hoogte in naar dominant do, waarmee de jubilusdelen blijven stoeien om slechts op het einde terug naar mi af te dalen. Speciaal in die jubilus zijn hier de herhaalde pres-
sussen, die een aanleiding kunnen zijn van een lomp, te sterk benadrukken. De noot vóór de pressus een weinig breder zingen kan hierbij wat verhelpen!  In de 1e zin wordt God aanroepen met een feestelijk zingen, een dankbaar bekennen: ‘Gij zijt de God van mijn heil‘: “Domine Deus salutis meae”.
De eerste twee woorden starten wat analoog met het “Alleluia”, maar “Deus” mag de zang nog een noot hoger brengen.  “salutis” brengt vooral de noot si in het vizier, die voor een blij karakter zorgt.
De nazin: ‘dag en nacht roep ik tot U’ laat “in die” beginnen met -sol do- zoals de 2 jubilus delen, en “clamavi” daalt weer rustig terug af naar toonnoot mi.  “et nocte coram” is een wat vrij hernemen van het Alleluia, waarvan de laatste letter “–ia” met de jubilus, door het laatste verswoord “te” volledig herhaald wordt.
Dit Alleluia, dat mogelijks het origineel blijkt te zijn, wordt ook gezongen op de 3e paaszondag (220) en op verdwenen heiligenfeesten van Benedictus Labre (16 april), de H.Marius (19 jan) en ook bij onze Sint Jan Berchmans (14 aug).

Offertorium ”Precatus est Moyses”: - Mozes bad voor Gods aanschijn: “ Waarom zijt Gij kwaad op mijn volk? Bedaar uw gramschap: gedenk Abraham, Izaak en Jacob, die Gij een land beloofd hebt dat overvloeit van melk en honing”. En de Heer zag af van het kwaad waarmee Hij zijn volk bedreigd had.
Hier een stukje Bijbelse geschiedenis, muzikaal uitgewerkt in een groots offertoriumgezang, dat kan onderverdeeld worden in 3 delen: - de inleiding, - de smeekbede van Mozes – het verhoren.
1e deel: Mozes bidt tot God: neergebogen klinkt “in conspectu Domini”. Dit motief wordt in de her-
haling hernomen en bij “sui, et dixit” dieper herhaald.   Het 2e deel  begint met “Quare, Domine”:
Mozes die zich smekend tot God opricht. De melodie gaat hoger op en heel wat woorden worden met bistrophas en tristrophas aan de aandacht gebracht, zoals: ”Quare, irasceris, Parce, animae”
De nazin “memento Abraham…”, waarmee Mozes hoopt God tot verzoening te kunnen bewegen, gaat met een kwintsprong de hoogte in, blijft op -doen re-bewegen en haalt zelfs 2 maal hoogte-
punt fa! Wat verrassend krijgt het kleine woordje “et” nog de grootste melodische bewerking!
Syllabisch klinkt “quibus iurasti” – wat Gij gezworen hebt -  nadrukkelijk, en weeruitgebreid, krijgt het kleine woordje “et” een mooie melodie, terwijl de 2 belangrijke woorden: “lac – mel” – melk en honing - het met één enkel nootje moeten stellen!  Het 3e deel zet in met het blij majeurakkoord:
-fa la do-bij “Et placatus” – De Heer zag af van gramschap – De melodie blijft hoog op –do re mi- bewegen om plots omlaag te komen voor “malignitate” – het kwade -. Bemerkt hoe dit woord zich tussen 2 gelijke ritmisch- melodische figuurtjes bevindt. Ook de verdere tekst krijgt een mooie zangerige uitwerking.

Communio ”Panem de caelo”:is een mooi danklied om de Eucharistie die wij mogen ontvangen. Brood uit de hemel hebt Gij ons gegeven, Heer, dat alle goeds en alle smaak van zoetheid in zich bevat! – Geschreven in de 5e modus, begint en eindigt het gezang met formules die ons bekend zijn van het introitus “Requiem” ! Vanaf de grondtoon fa, bouwt de melodie zich op met de pressussen
-fafa, solsol, lala, dodo- naar “nobis Domine”.  “habentem omne” blijft de hoge noot do houden.
Hier dient wel zorg gemaakt van het juist benadrukken van “omne” , waar de handschriften terecht wat verbreding vragen van de eerste, heel korte, lettergreep, die het woordaccent heeft! De mooie melodie van “delectamentum” laat aanvoelen dat de zang hier niet ten einde is. 
“omnem saporem” schijnt een blij dansje uit te voeren met –redoredoredo- , en met het laatste woord wordt rustig, zoetjes, “suavitatis”  geëindigd.