17e zondag door het jaar

Introitus “Deus in loco” : een 5e modusmelodie met 3 zinnen, die elk een eigen inhoud hebben en zo ook een eigen melodische benadering. De 1e zin bezingt God in zijn heiligdom , de hemel, de 2e zin: Gods wil om allen, als één familie verenigd, in zijn huis onder te brengen, en een 3e: Hij schenkt ons sterkte en kracht.  De 1e zin begint hoog op dominant do, om naar tonica fa af te dalen. De 2e zin start onderaan, bereikt het hoogtepunt en daalt niet onder la!  De 3e zin maakt terug een opwaarts begin, maar eindigt zoals de 1e zin.   Die 1e zin zet overtuigend, feestelijk en tegelijk eerbiedig in met het woord “Deus” : - God in den hoge! – De 3 woorden die er op volgen: “loco sancto suo”  werden in ritmische eenheid per lettergreep beurtelings breed en smal geschreven. Ook de 2e zin vangt aan met “Deus,” maar start pas echt met “qui inhabitare” , die na wat ter plaatse getrappel van een paar porrectussen, een  vlucht neemt naar de hoogtepunten “facit” en “unanimes” . Het is mooi wanneer die woorden, en zo heel de zin, omwille van de tekst, hier in één ademhaling kunnen gezongen worden (zo nodig, misschien even vlug ademen vóór “facit”).  De 3e zin bestaat uit 2 halfzinnen die beiden op fa eindigen. Met slechts 4 noten –la si do re- klinkt “ipse dabit” die in “virtutum” wat herhaald wordt en met de noot si, het woord – kracht – glans geeft, in contrast met “fortitudo” – sterkte –die het met 4 lagere noten moet stellen + sibé. Hierdoor krijgt het woord een rustiger karakter. Het laatste fragmentje “plebi suae” behoudt dit karakter en besluit, zoals de 1e zin besluit, met torculus en punctum op tonica ‘fa’.

Graduale “In Deo speravit” : - Op God hoopte mijn hart en ik ben geholpen, mijn lichaam herleefde en uit heel mijn hart zal ik Hem prijzen.  Tot U, Heer, heb ik geroepen: mijn God, blijf niet zwijgen, keer U niet van mij af. - De 1e zin geraakt moeilijk hogerop, zingt volledig binnen de afstand -re la-, zo wat in de sfeer van het paas-introitus.  Ook “refloruit”, herleven, gaat niet hoger dan la.De 2e zin is een uiting van dankbaarheid en “voluntate mea” en “confitebor” mogen plots de hoge re bereiken.
Het vers begint met het gewone opstijgen met -fa la do-, eigen aan de 5e modus, maar heel passend wordt “clamavi” hoog, lang en uitbundig gezongen. Verder klinkt “sileas” mooi versierd, maar toch met een wat beleefd vragen. Met “discedas” wordt met een gekende formule afgesloten.
Dit is er een mooi voorbeeld van, hoe veel gradualegezangen opgebouwd werden met motieven eigen aan de modus! “Ad, te Domine, clamavi”(321) is helemaal terug te vinden in: “Propter quod Deus exaltavit illum” (148) van graduale “Christus factus est” . En ook in graduale “Locus iste” (397),
bij het vers “Deus,cui adstat angelorum chorum”.

Alleluia ”Exsultate Deo” : - Juich voor God, onze helper, jubel voor de God van Jacob: hef een blijde lofzang aan bij citerspel – Het is merkwaardig dat heel wat Alleluia’s van de latere zondagen door het jaar, in de 7e modus geschreven werden, die van vreugdig, blij tot feestelijk, uitbundig kan klinken!
Dit Alleluia heeft een kort motiefje en wordt gevolgd door 2 jubilus-delen die totaal verschillend zijn
en ook niet de minste invloed hebben op het vers. De twee psalmverzen spreken van juichen en jubelen. Ze werden verdeeld in 3 muzikale zinnen, waarvan 1: “exsultate” en 3: “sumite” met het Alleluia-motief inzetten. Die beide woorden schijnen een soort inleidende formule te zijn, om het volgende woord en de zin de vlucht te laten nemen. De zang van “Deo” keert terug in “no-(stro)” en “(Ja)-cob”. Ook de zang van “adiutori”  komt helemaal terug in “iucundum”. De 1e zin weet zich met “adiutori” tot fa te verheffen.  De 2e zin: “iubilate” begint feitelijk met het wat aangevuld Alleluia-motief, waarmee ook de zinnen 1 en 3 beginnen. Er wordt gezongen van jubelen, maar met de dalende melodie, schijnt de voorkeur gegeven aan het diep neerbuigen voor de “Deo Jacob”.
Pas in de 3e zin mogen de lofzangen de hoogte ingaan!

Offertorium “Exaltabo te, Domine” : - Ik zal U verheffen, Heer, omdat Gij mij hebt opgenomen en mijn vijanden niet over mij hebt laten zegevieren.  Heer, ik riep tot U en Gij hebt mij genezen. –
Het offertorium “Exaltabo” wordt reeds lang naast deze zondag ook gezongen op aswoensdag.
Het is een danklied en staat in een getransponeerde 2e modus geschreven: tonica la in plaats van re.
De voornaamste noten worden hier dus: tonica la en dominant do. De zang verheft zich naar de betekenis van het eerste woord: “Exaltabo” – verheffen - . “Domine”  wordt eenvoudig benaderd.
quoniam” wentelt wat tussen la en do, maar “suscepisti me” – Gij hebt mij opgenomen  - klinkt dankbaar en voldaan met het fa-groot akkoord: fa-la-do. De 2e zin heeft het over vechten en zegevieren: bij “nec delectasti” verschijnt hier een soort gevecht tussen de noten la en do. Met “inimicos meos” , die een herhaling en uitbreiding is van “Exaltabo”, gaat dit klimaat verder.
Een minder belangrijk woord: “super” krijgt hierna alle eer: een mooie, breedzangerige melodie en het hoogtepunt!   De 3e zin laat het woord “Domine” een buiging maken en “clamavi ad te” herneemt de melodie van “inimicos meos”. De zang sluit af met een beperkte melodie binnen de basisnoten, eigen aan de 2e modus.

Communio (C) “Petite” : - Vraag en gij zult verkrijgen. Zoek en gij zult vinden. Klop en u zal open gedaan worden. Want al wie vraagt verkrijgt, wie zoekt die vindt, en voor wie klopt wordt open gedaan. - Deze tekst en de melodische bewerking zijn het mooiste voorbeeld van vraag en antwoord, spanning en ontspanning. Spanning ligt in de wat hoger te zingen woorden: ‘Bid, zoek en klop’. De ontspanning, in het wat rustig, dieper gezongen antwoord: ‘ zal verhoord worden, zal het vinden, zal open gedaan worden’.  Hiermee is feitelijk de inhoud van de 1e zin gegeven.   De 2e zin is een nadrukkelijke herhaling: ‘allen die dat zullen doen!’. “Omnis” opent met de noten van “Petite”.
“accipit” is een wat breder “accipietis”. Het opstijgen van do naar sol bij “pulsanti” is  grotendeels terug te vinden in “pulsate” . Met een plechtig alleluia, binnen de afstand -re la-, dat met veel verbredingen dient gezongen te worden, wordt hier geëindigd.