17e zondag door het jaar

Introitus “Deus in loco” : een 5e modusmelodie met 3 zinnen, die elk een eigen inhoud hebben en zo ook een eigen melodische benadering. De 1e zin bezingt God in zijn heiligdom , de hemel, de 2e zin: Gods wil om allen, als één familie verenigd, in zijn huis onder te brengen, en een 3e: Hij schenkt ons sterkte en kracht.  De 1e zin begint hoog op dominant do, om naar tonica fa af te dalen. De 2e zin start onderaan, bereikt het hoogtepunt en daalt niet onder la!  De 3e zin maakt terug een opwaarts begin, maar eindigt zoals de 1e zin.   Die 1e zin zet overtuigend, feestelijk en tegelijk eerbiedig in met het woord “Deus” : - God in den hoge! – De 3 woorden die er op volgen: “loco sancto suo”  werden in ritmische eenheid per lettergreep beurtelings breed en smal geschreven. Ook de 2e zin vangt aan met “Deus,” maar start pas echt met “qui inhabitare” , die na wat ter plaatse getrappel van een paar porrectussen, een  vlucht neemt naar de hoogtepunten “facit” en “unanimes” . Het is mooi wanneer die woorden, en zo heel de zin, omwille van de tekst, hier in één ademhaling kunnen gezongen worden (zo nodig, misschien even vlug ademen vóór “facit”).  De 3e zin bestaat uit 2 halfzinnen die beiden op fa eindigen. Met slechts 4 noten –la si do re- klinkt “ipse dabit” die in “virtutum” wat herhaald wordt en met de noot si, het woord – kracht – glans geeft, in contrast met “fortitudo” – sterkte –die het met 4 lagere noten moet stellen + sibé. Hierdoor krijgt het woord een rustiger karakter. Het laatste fragmentje “plebi suae” behoudt dit karakter en besluit, zoals de 1e zin besluit, met torculus en punctum op tonica ‘fa’.

Graduale(B) “Oculi omnium” : werd oorspronkelijk gezongen op de 20e zondag na Pinksteren en in 1264 voegde Thomas van Aquino de zang toe aan de feestmis voor het H.Sacrament.  – De ogen van allen zien hoopvol op naar U, Heer.  Gij geeft hun te rechter tijd spijs. Gij opent uw hand en verzadigt al wat leeft met zegening.    Dit gezang begint met twee mooi versierde woorden: “Oculi – omnium” in de lage tessituur van de 7e modus. Met een kwartsprong bij “in te sperant” stijgt de melodie wat hoger op om “Domine” in gejubel toe te zingen!    De 2e zin laat “(et) tu” nogmaals de hoogste noot sol zingen, maar dan wordt het, met mooi versierde woorden, afdalen naar het afsluitende woord “opportuno”. Dit weelderig versierde woord begint zoals “in tem(pore)” begint, en draagt ook sporen van “Domine” uit de 1e zin.  Een mooi gezang dat een vlotte voordracht vraagt.

Alleluia ”Exsultate Deo” : - Juich voor God, onze helper, jubel voor de God van Jacob: hef een blijde lofzang aan bij citerspel – Het is merkwaardig dat heel wat Alleluia’s van de latere zondagen door het jaar, in de 7e modus geschreven werden, die van vreugdig, blij tot feestelijk, uitbundig kan klinken!
Dit Alleluia heeft een kort motiefje en wordt gevolgd door 2 jubilus-delen die totaal verschillend zijn
en ook niet de minste invloed hebben op het vers. De twee psalmverzen spreken van juichen en jubelen. Ze werden verdeeld in 3 muzikale zinnen, waarvan 1: “exsultate” en 3: “sumite” met het Alleluia-motief inzetten. Die beide woorden schijnen een soort inleidende formule te zijn, om het volgende woord en de zin de vlucht te laten nemen. De zang van “Deo” keert terug in “no-(stro)” en “(Ja)-cob”. Ook de zang van “adiutori”  komt helemaal terug in “iucundum”. De 1e zin weet zich met “adiutori” tot fa te verheffen.  De 2e zin: “iubilate” begint feitelijk met het wat aangevuld Alleluia-motief, waarmee ook de zinnen 1 en 3 beginnen. Er wordt gezongen van jubelen, maar met de dalende melodie, schijnt de voorkeur gegeven aan het diep neerbuigen voor de “Deo Jacob”.
Pas in de 3e zin mogen de lofzangen de hoogte ingaan!

Offertorium “Exaltabo te, Domine” : - Ik zal U verheffen, Heer, omdat Gij mij hebt opgenomen en mijn vijanden niet over mij hebt laten zegevieren.  Heer, ik riep tot U en Gij hebt mij genezen. –
Het offertorium “Exaltabo” wordt reeds lang naast deze zondag ook gezongen op aswoensdag.
Het is een danklied en staat in een getransponeerde 2e modus geschreven: tonica la in plaats van re.
De voornaamste noten worden hier dus: tonica la en dominant do. De zang verheft zich naar de betekenis van het eerste woord: “Exaltabo” – verheffen - . “Domine”  wordt eenvoudig benaderd.
quoniam” wentelt wat tussen la en do, maar “suscepisti me” – Gij hebt mij opgenomen  - klinkt dankbaar en voldaan met het fa-groot akkoord: fa-la-do. De 2e zin heeft het over vechten en zegevieren: bij “nec delectasti” verschijnt hier een soort gevecht tussen de noten la en do. Met “inimicos meos” , die een herhaling en uitbreiding is van “Exaltabo”, gaat dit klimaat verder.
Een minder belangrijk woord: “super” krijgt hierna alle eer: een mooie, breedzangerige melodie en het hoogtepunt!   De 3e zin laat het woord “Domine” een buiging maken en “clamavi ad te” herneemt de melodie van “inimicos meos”. De zang sluit af met een beperkte melodie binnen de basisnoten, eigen aan de 2e modus.

Communio “Honora Dominum”:Eer de Heer met uw bezit, en met de eerste vruchten van uw oogst, opdat uw graanschuren gevuld worden en uw persen overlopen van wijn. –
4 verzen, schijnbaar van een strofe van een leuk liedje, waarin het gaat over de geur van dorsen, en smaak en gezelligheid van wijn! Het is natuurlijk wat anders. De 4 zinnen hebben 2 aan 2 eenzelfde inhoud. De eerste 2 zeggen wat wij zelf gaan doen, en de laatste 2 zeggen waarmee God ons zal belonen! Op melodisch gebied lijken zin 1 en zin 4 goed op elkaar. Ook zin 2 en zin 3 vertonen veel gelijkenissen.  De 1e zin kent een rustig verloop en blijft onder dominant la. Enkel het voornaamste, laatste woord “substantiae” mag sibé bereiken in een melodische wending, ons bekend als eigen aan de 6e modus (luceat eis – Requiemmis). De 2e zin begint met het blijde fa-majeur akkoord –fa la do- en zal daar niet onder gaan: “de primitiis” is toch geen hoerageroep, maar een liefdevol aanbieden van ons werk aan de Heer. Ook die zin eindigt met dezelfde slotformule op fa.
Vrolijker nog klinkt de 3e zin: “ut implebuntur” – dat uw schuren mogen vol geraken – In heel de zin zorgt de herstelde noot si voor een blije toon. Wat verrassend is de kwartsprong naar de hoge noot bij “horrea”, die de componist als een uiting van bewondering kan bedoeld hebben: “Zo goed is Gods goedheid!”  De laatste zin herneemt de sfeer van de eerste. Er wordt wel op een wat leuke manier met “et vino” begonnen: het woord eindigt met een pes en het volgende gaat met een kwint lager verder. Dergelijk afsluiten zoals bij “vino”  wordt wel eens een “lachend vraagteken “genoemd!
Wij komen het wel te weten wat wij van de wijn hoeven te kennen!  Zoals de 1e zin eindigt met het woord “substantia”, eindigt ook de 4e zin met dezelfde melodie voor het woord “(red)-undabunt”.