16e zondag door het jaar

Introitus “Ecce Deus” :-                Zie, God helpt mij en de Heer beschermt mijn leven: wend onheil af op mijn vijanden en verdelg hen omwille van uw waarheid, Heer, mijn beschermer. – Dit gezang staat volledig in dienst van de tekst en heeft een wondere melodie, die vrij modulerend beweegt tussen verschillende modi.  Het begint met een blij majeurakkoord: -do la fa- dat overtuigend laat klinken
-Kijk! Zie je het!-  “Ecce Deus” klinkt als een klein afgewerkt zinnetje. Een breed gezongen “adjuvat” gaat verder op la, maar eindigt ook op fa. “Dominus” herneemt, iets versierd, de noten van “Deus” en “susceptor est” eindigt zoals “adiuvat me”. Wat verrassend klinkt hierna “animae meae”,die hoger opgaat en zo de modulatie naar de mi-modus van de 2e zin voorbereid. Die zin heeft door modulatie en tekst een heel ander karakter: hier gaat het om een wat meer angstig vragen: “averte mala” – wendt het onheil af – en “mala” wordt nadrukkelijk met bistropha + clivis gezongen! “inimicis” klimt op naar de nieuwe dominant si, waarmee “meis” met de noten –redosi si- op een vragende manier eindigt. De 3e zin maakt een dalende beweging. “in veritate tua” zingen wij volgens de neumen: “in” enkel met de noot la, en “ve(ritate)” met –lasido- in plaats van de pressus –sisido-! “disperde” klinkt sterk aandringend: - verdelg hen – en terug met het majeurakkoord –do la fa- herstelt “illos” de sfeer van het begin, om verder met een klassieke 5e modusformule, te eindigen.
Het gezang werd vroeger ook gezongen op donderdag na Aswoensdag.

Graduale “Domine Dominus noster” : is een gezang waar tekst en melodie bewust samengaan, wat in graduale-gezangen minder gebeurt!  - Heer, onze God, hoe wonderbaar is uw naam over heel de aarde. Want hoger dan de hemel is uw majesteit verheven. -  Laag, gebaseerd op tonica fa klinkt de eerste zin vol eerbied voor ‘Onze Heer’. Vreugdevol, met een kwartsprong naar dominant do klinkt “quam admirabile” vol bewondering.  “nomen tuum” herneemt de sfeer van rustig opzien, terwijl “universa terra” terug bewonderend hogerop gezongen wordt! Het vers laat “elevata est” zich inderdaad tot viermaal toe, tot hoogtepunt mi verheffen, om dan met 3 climacussen tot rust te komen en met “magnificentia tua” (uw majesteit) af te werken.  Misschien kon dit laatste woord met wat meer majestueuzer bewerking meer tot zijn recht gekomen zijn, al kreeg het ook de opstijgende kwart -sol do- die ook ”admirabile” bezit, en “universa” en “elevata”.
Zo kreeg het hele gezang een mooie eenheid van opbouw.

Alleluia “ Eripe me” :- Red mij van mijn vijanden, God; en bevrijd mij van wie mij vervolgen –
Het eenvoudig “Alleluia” + vers is geschreven in de beperkte ruimte –do sol- van een sobere
2e modus. Het zou een van de oudste gezangen zijn die alleen voorkwam in het oude graduale van
Sankt Gallen, waarop w.o. in de 11e eeuw ook de tekst van het “Ave Maria” werden geplaatst.
Alleluia” gaat niet hoger dan dominant fa. Het laatste motiefje van “(Allelu)ia” : -re famire- vormt de aanleiding om de jubilus met een kwartsprong naar sol te laten komen en met 2 climacussen  te laten afdalen. Dit wordt een 2e maal herhaald en wat uitgebreid. De tekst “Eripe me” komt vooral voor in de passietijd als graduale en offertorium, maar van ouds schijnt de zang ook hier zijn plaats te hebben.
Het is merkwaardig dat Sankt Gallen heel de 1e zin langzaam uitschrijft: het is een smekend zingen, dat bij “Deus meus”, in een wat rustgevende zekerheid overgaat.  Vooral “insurgentibus” heeft een lange melodie, a.h.w. om de angst uit te drukken.
Alleluia ”Eripe” kan ook het model geweest zijn voor het offertorium “Eripe” (129) dat veel gelijkenissen vertoont en waar ook het woord “insurgentibus” nog meer uitgebreid melismatisch behandeld werd.

Offertorium “Iustitiae Domini” : - De geboden van de Heer zijn rechtvaardig, een vreugde voor het hart en zoeter dan honing en honingraat; uw dienaar zal ze onderhouden. – Dit offertorium komt van de 3e vastenzondag en kent een rustig verloop in secunden en tertsen. De melodie beweegt zich bij voorkeur met de noten –fa sol la- en staat zo, met uitzondering van de allerlaatste noot mi, in de
6e modus. In de 1e zin begint “Iustitiae” met een motief waarmee “(laeti)ficantes corda” zal besluiten
en ook “Domine” en “rectae” sporen dragen. Ook “dulciora” van de 2e zin is hiermee verwant en ver-
der komen hier nu tertsbewegingen voor, bij het afdalen naar slotnoot do. De 3e zin vangt aan met een kwartafstand -do fa- , waarmee “custodiet” heen en weer  afgesloten wordt.
De eigenaardige eindnoot mi heeft voor heel wat kopbrekens  gezorgd. Dom Pothier liet de zang in de 1e graduale-uitgave (1885) eindigen op fa: -lasolfa lasolfa fa- Een andere editie maakte er re van:
-lasolfa solfami re- z.g.z. om de zang gemakkelijker te kunnen herhalen. Nog een ander liet de zanger de vrije keus om te eindigen naar verlangen!  Zo zie je maar, wat één nootje kan teweeg brengen!

Communio “Acceptabis” :  - Het rechtvaardig offer, gaven en brandoffers zult Gij op uw altaar aan- vaarden, Heer -  Hier terug een 4e modus die zich tot de laatste noot schuil houdt in een 1e modus!
De 1e zin vangt blij zingend aan met de zekerheid dat het offer God aangenaam is, met drie bijna afzonderlijk melodisch bewerkte woorden:  “Acceptabis”  begint met de kwint -re la- ,als het opheffen van de handen bij een offer aan de Heer!  Waar de noot mi het woord bevestigend kon eindigen, eindigt zij op- mimi fa-! De zin gaat verder met “sacrificium”,  maar “iustitiae” eindigt precies op de zelfde manier: -mimi fa-, en dit voor het einde van een zin? Misschien was het de bedoeling om hier de aandacht te vragen voor de 2e zin, die met fa verder gezongen wordt!
Ook deze zin, in zuivere1e modusstijl met melodische woorden van kleine notengroepen, dient vlot, blij en dankbaar gezongen te worden!

In de jaren 1950 bracht de Nederlandse musicoloog Dr Vente, de heel terechte opmerking dat alle noten van het woord “Acceptabis”, in juiste volgorde, het thema vormen van de Passacaglia voor orgel van J.S.Bach ??