15e zondag door het jaar

Introitus “Dum clamarem ad Dominum”:– Toen ik riep tot de Heer, aanhoorde Hij mijn stem tegen hen die mij benauwden, en Hij heeft hen vernederd, die is voor alle eeuwen en blijft in eeuwigheid.
Werp uw kommer op de Heer, en Hij zal voor u zorgen. – “Dum clamarem” bestaat uit 3 zinnen die allen op tonica mi beginnen en allen op dezelfde manier eindigen. Zinnen 1 en 2  hebben zelfs nog iets meer gemeen met het voorlaatste woord: “(appropin)quant” en “aeternum”. Beide zinnen, die uit een voor- en nazin bestaan, spreken over het verhoord worden van het bidden. De 3e zin, die uit
2 verzen bestaat, brengt een soort hoopvolle zekerheid: - Werp uw zorgen op de Heer! Het komt wel in orde! - Het begint als een biddend opstijgen, een opzien naar “Dominus”.  Dankbaar klinkt “exaudivit”,  hoog op dominant do: -Hij verhoort mij!-  Ook de 2e zin vangt laag aan met “humiliavit”
maar al vlug wordt de Heer van alle eeuwigheid ook hoog op do toegezongen. Heel bewust klinkt
qui est ante saecula”, die met 3 kwartsprongen die woorden speciaal in de aandacht brengt. Zeer overtuigend, met 2 maal de hoge re, klinkt “et manet in aeternum” – Hij is voor alle eeuwigheid! –
De 3e zin kent dezelfde opbouw met het hoogtepunt op “te enutriet”, maar hier verschijnen plots twee syllabische momenten, een soort vermoeidheid, of is het moedeloosheid, waar het gaat over “cogitatum tuum”: uw zorgen! Het laatste vers met “et ipse te” besluit toch  wat blij, overtuigend, over een nieuw hoogtepunt heen de zang.

Graduale “Custodi me, Domine”: - Bewaar mij, Heer, als uw oogappel en bescherm mij onder de schaduw van uw vleugels.  Laat het oordeel over mij uitgaan van uw aangezicht; uw ogen gerechtigheid aanschouwen. - Met “Custodi me” vangt de 1e voorzin heel rustig aan met secunden
en enkel met de lage noten van do naar sol. “(Domi)ne” klinkt meer aandringend met meer terts-
en een paar kwartafstanden.  “ut pupillam” wordt wat hoger in het licht gezongen.  In de 2e zin gaat het over de beschutting onder de vleugels: “sub umbra alarum” lijkt een soort gefladder van vleugels  te willen weergeven,  met op- en neergaande bredere notengroepen. Maar “protege me” brengt de rustiger gebonden zang van de 1e zin terug. Heel merkwaardig wordt de melodie van “protege me” volledig teruggevonden in het graduale “Benedicam” (316) op de tekst “in ore meo”. Hier een kwint hoger getransponeerd, van de 1e naar de 7e modus!
Het vers zingt vooral rond de hogere noten -la en do- en start merkwaardig met de ‘Gotische’ sekstafstand waarmee diverse introitus-gezangen beginnen!  “aequitatem” sluit af met een formule waarmee ook het graduale van de 2e vastenzondag “Sciant gentes”, en de 23e zondag door het jaar “Beata gens” besluit.    Meer nog:  de volledige slotzin van het eerste deel op “protege me”, is een kwint hoger getransponeerd, terug te vinden op de tekst “in ore meo” van graduale “Benedicam Dominum” ,van de 18e zondag door het jaar (316).

Alleluia “te decet hymnus”:  komt van de 10e zondag na Pinksteren. – U komt een loflied toe, God, op Sion; en aan U moeten beloften ingelost worden in Jeruzalem – Die woorden zijn ons bekend als psalmvers van het introitus “Requiem”. Waar ze daar met wat terughouding worden gezongen klinken ze hier feestelijk levendig!.”Alleluia” zet al helder in met de noten van het majeurakkoord -sol
si re- en blijft de re herhalen. De jubilus bestaat uit drie, eerder korte, fragmenten: het eerste gaat hoger op, het tweede gaat zijn eigen weg, maar besluit toch als het vorige en wordt gevolgd door een eenvoudige slotformule. Analoog met die eenvoud zet ook het vers in: “Te decet hymnus” gebeurt na een kwintafstand gewoon met het herhalen van de noten –re mi-. “Deus” gaat ook van re uit maar wordt iets meer uitgebreid gezongen.  Met “Sion” is het hek van de dam en klinkt het heel uitgebreid en feestelijk!  Met “et tibi reddetur” wordt de melodie verder ontwikkeld in de hoge regio –do sol-.
votum” is, buiten de eerste 3 noten, de volledige herhaling van de melodie boven “Sion”, en “Ierusalem” krijgt een lang, rijk melodisch verloop, waar 2 fragmenten met een tristropha hoog op fa luister bijzetten.  De laatste 3 schakels herinneren min of meer aan de jubilus van het “Alleluia”.

Offertorium “ Ad te Domine: beweegt zich tussen de spilnoten –re fa-, de tonica en de dominant van de 2e modus. Waar in psalmtekst 24-1 het woord “Domine” niet voorkomt op die plaats, schijnt de componist hier de vrijheid te hebben genomen dit te doen, om zo duidelijk te maken dat wij onze ziel tot “de Heer” richten!  -Tot U verhef ik mijn ziel, mijn God, op U vertrouw ik, wil mij niet beschamen. Laat mijn vijanden mij niet bespotten, want al wie naar U uitziet, zal niet teleurgesteld worden -. 
De aanhef, een verheffen van de ziel, gebeurt heel terecht van laag naar hoog en vertoont zo wat gelijkenis met het offertorium “De profundis” (368). “Deus meus” klinkt heel beslist: - Mijn God, wie op U betrouwt!  “in te confido” krijgt maar één nootje, maar dient met nadruk gezongen te worden.
Verder wordt “non erubescam” – zal niet bedrogen worden – heel terecht benadrukt. Even overtui-
gend wordt vervolgd met “neque irridiant me”, om in het woord “inimici” een zekere schrik op te merken met die plotse –do mi sol- wending. De kwartsprong in “universi” geeft het woord een blij karakter, om over het alweer verwaarloosde woordje “te”, met “expectant” de moduskelder in te dalen en er met het mooie melisme van “confundentur” weerom blij, hoger uit te komen.

Communio “Passer invenit”:  deze communio heeft wat tonale eigenaardigheden: een 1e modus, gelezen in de normale dosleutel 4e lijn, zou ons bij “pullos” op mibé brengen. Zo diende de zang een kwint hoger getransponeerd te worden en werd –mibé sibé-. Zo sluit de zang ook af op la!
Zuiver 1e modus is de eerste helft van de communio ook niet te noemen, dit gebeurt pas vanaf “Rex meus”!  - De mus weet zich een schuilplaats te vinden, en de tortel vindt zich een nest voor haar jongen. Ik mag verblijven bij uw altaar, Heer der hemelmachten, mijn Koning en mijn God. Gelukkig zij die wonen in uw huis, eeuwig zullen zij U loven! – Drie duidelijk te onderscheiden zinnen: een eerste die het heeft over de natuur, over vogels die vliegen en nesten bouwen. Een tweede maakt een vergelijking met het altaar waarop het goddelijk mysterie gebeurt, die ons kracht schenkt.
Een laatste bezingt de zaligheid van het verblijf in de hemel.  “Passer” begint verhalend en beeldt met 6 opeenvolgende podatusbewegingen, van “domum” tot “nidum”, het vliegen van vogels uit!
Bij de tristropha van “reponat” wordt het rustig en daalt de zin naar de grondtoon: de jongen worden in het nest gelegd. De 2e zin bereikt op “Domine virtutum” – Heer van kracht – het hoogtepunt in een uiting van bewondering. Voor “Rex meus” – mijn Koning – wordt een diepe buiging gemaakt, maar voor “Deus meus”  - mijn God – buigen wij tot op de grond! De 3e zin bereidt met een paar kwart-
afstanden bij “beati qui habitant” een vlucht voor naar het nieuw hoogtepunt van “in domo tua”.
Rustig afdalend wordt geëindigd met – in eeuwigheid zullen wij er U loven! -.

ook op 2 februari, feest van de opdracht in de tempel, waar de tekst zeker a priori thuishoort. Toch komt de zang sinds ouds op beide data voor!
De tekst kan de tempelpriester in de mond gelegd worden bij het aanschouwen van het goddelijk Kind en zijn moeder! – God, wij gedenken uw barmhartigheid in het midden van uw tempel –
“Suscepimus”  is een van de mooiste gezangen van de 1e modus, die de hele tessituur van hoog naar laag met zwier weet te gebruiken!  “Suscepimus” start al met de “Gotische” kwintsprong die we kennen van “Gaudeamus”  en cirkelt verder in het middenveld rond dominant la. De 2e zin is één gejubel  rond de noot do met een wat uitzonderlijke sprong naar de hoge mi, waar –do domire do- ontstaat: het juichende “bim-bam-bom”- motief!  - Zoals uw naam, God, en uw lof reikt tot aan het einde van de aarde – Enkel met “fines terrae” die een herhaling is van de afsluiting van de eerste zin (behoudens de laatste noot) wordt het wat lager en rustiger. De 3e zin beweegt zich rond mediant -noot fa, waar “iustitia plena” – vol gerechtigheid is uw rechterhand – met rustige overtuiging gezongen wordt.

Graduale “Esto mihi”: - Wees mij, God, een beschermer en een toevluchtsoord om mij te redden –
Dit graduale is mooi progressief opgebouwd: “Esto mihi in Deum” moet het stellen met slechts twee noten: fa en sol.  “protectorem”  mag al bewegen tussen re en la, en het gaat in stijgende lijn verder: “in locum refugii” stijgt naar de hoge re en landt op de lage do: een none-afstand.
De nazin ”ut salvum facias” krijgt zelfs een decime-afstand : van lage do tot hoge mi! Dit 5e modus-
gezang  is niet alleen melodisch mooi, maar het benadert ook goed de tekst.  Het smekend verzoek van “Esto mihi” komt met dit paar noten al goed tot uiting,  maar wordt, steeds meer aandringend,  benaderd met “protector” en “refugii”, om ten slotte bijna luid en hoog schreeuwend, met “facias” God om hulp te roepen.

Alleluia ”Magnus Dominus” Groot is de Heer en zeer lofwaardig, in de stad van God op zijn heilige berg – Deze woorden werden vandaag reeds gezongen als vers van het introitus, mits de woorden “valde” die daar “nimis” was en “nostri” die hier wegvalt. “Magnus Dominus” is een echt gregoriaans belcanto gezang! Met de grote kwintsprong, ons bekend van “Puer natus”, vangt het Alleluia zwierig aan. Het verloop van de jubilus bestaat uit een 4 tal fragmenten: een eerste, vlot op- en neergaande motief, wordt herhaald. Het derde deel krijgt een nieuw, iets lager motief, dat ook uit een op- en neergaande beweging bestaat, die een toon lager herhaald wordt. Het afsluitende vierde deel herneemt de kwintsprong van het begin, maar is verder de herhaling van het vorige deel.
Feestelijk bewonderend kan “Magnus Dominus” moeilijk beter klinken dan in deze 7e modus, die bij die woorden de uitzonderlijke hoogte van –fa sol la- bereikt!  “in civitate” brengt de volledige herhaling van de jubilus.  “in monte sancto eius” zorgt wat verrassend en syllabisch, voor een moment rust, maar met “eius” wordt alle gejubel hernomen.  Merkwaardig is ook enige gelijkenis van dit gezang met het Alleluia “Deus, qui sedes” van de 10e zondag door het jaar, dat ook in de 7e modus staat en de jubilus laat starten met een motief van de huidige jubilus. Beide gezangen zijn ook van een iets jongere datum, daar geen van beide in de oude handschriften voorkomen!

Alleluia “Venite ad me” : zie hoogfeest Allerheiligen.

Offertorium “populum humilem” :  – Een nederig volk zult Gij redden, Heer, en de ogen van de
hoogmoedigen vernederen; want wie is God buiten U, Heer? – Het 1e vers kent een mooie, immer stijgende opbouw. “Populum” begint op tonica fa, “humilem” bereikt –la do- en “facias” –do mi- wat al het hoogtepunt van het gezang wordt. Na de nederige start wordt het dus vlug een bijna jubelend zingen bij “salvum facias”, een blijde zekerheid: Gij zult ze redden! Het laatste woord ”Domine” valt wat uit de toon: na alle gejubel hoog in de lucht, moet “Domine” zo maar uit de kelder omhoog kruipen om bij “-mine” een kwint terug omlaag te vallen?
De 2e zin begint ook met fa.  “oculos” behoudt de si van “Domine”, om in “superborum” (die iets melodisch gelijk is aan “humilem”) sibé te zingen. Meer helder klink “humiliabis” naar het voorbeeld van “facies”. Ook de 3e zin start met tonica fa, maar vlug klinkt een overtuigend zekerheidsgevoel van “wie is God buiten U?” met een drietal noten op “praeter te” en een 3 maal zwaaien met-doredo resi do- van “Domine”.

Communio “Gustate et videte” :– Proef en ziet, hoe zoet de Heer is. Zalig de man die op Hem vertrouwt -  Dit communio bestaat slechts uit 2 zinnen, die elk een voor- en een nazin hebben, door een komma afgescheiden. Beide voorzinnen eindigen met een verbreding, een soort korte pauze. Beide nazinnen eindigen ook op eenzelfde manier: “ est Dominus” = “in eo”.   Iedere zin heeft echter haar eigen karakter: de eerste zin klinkt levendig, uitnodigend, hoog op dominant do: “Gustate et videte” – proef en ziet - . De nazin bestaat uit 4 zangerig bewerkte afdalende woorden. Speciaal in de 1e zin zijn de twee tristrophas, die zo de woorden ”videteen “quoniam” in de aandacht brengen.
De 2e zin is een soort rustige mededeling: “ Beatus vir”… De melodie beweegt hier in de lagere regio met la als hoogste noot.  Dit is een mooi, echt communiegezang.

oms de voorkeur aan om met de deur in huis te vallen. Met “Puer” weten wij dat het om een blij geboortelied gaat, met “Resurrexi” gaat het om de verrijzenis, en nu weten wij dat “Spiritus Domini” ons de komst van de Gods Geest laat bezingen! Dat gebeurt in 2 korte zinnen en in de blijde 8e modus.  “Spiritus” begint laag opstijgend met de noten: re-fa-la, van het re-klein-akkoord.  “Dominus”  volgt wat bescheiden met de noten: la sol fa, maar dan barst vreugde en gejubel los met de noten fa-la-do, van het fa groot-akkoord op “replevit orbem terrarum”. En dat het om heel de aarde gaat, bewijst “orbem” met een eerste hoogtepunt op de hoge mi!  Ook “terram” krijgt met een tristropha wat duidelijke belangstelling. De zin sluit af met een alleluia waarmee de slotzin ook zal eindigen.  Voor de 2e zin: “et hoc quod” vragen de oude neumen heel duidelijk om het beginwoordje “et” maar met één enkele noot te zingen: tonica sol! Dus hier zingen:
”et hoc”- sol soldodo-! Het is best de crescendowijze opgang naar “scientiam” niet te onderbreken door een te lange pauze na “omnia”! Bemerk dat het 2e hoogtepunt met mi bij “habet”, een kopie is van het eerste, en “vocis” ook met een tristropha meer belang krijgt, maar de zang niet afsluit. Zo dient men vlot met de alleluia’s verder te gaan!

Alleluia: “Emitte Spiritum tuum– Zend uw Geest en zij zullen herschapen worden en het aanschijn van de aarde vernieuwen. -  De melodie werd reeds behandeld bij de 3e adventszondag en werd ook gezongen op Hemelvaart. Daar tekst en muziek van het pinksterfeest de beste verwantschap hebben vermoedt men hier de oorspronkelijke versie voor te hebben.  “Emitte” klinkt als een beleefd verzoek en “Spiritus” daalt neer op aarde: tonica re. “creabuntur” heeft een mooi uitgebreid melisme en  na een vlot “et renovabis”  gaat “faciem” met een eigen wending van 2 kwarten naar “terram”, die besluit met heel de melodie van het  alleluia .

Alleluia: “Veni, Sancte Spiritus”is een van de mooiste gregoriaanse gezangen. Vroeger diende dit gezang geknield gezongen te worden! Wat een indruk moet dat niet gemaakt hebben in de kerk wanneer zan-
gers, priesters, bisschop en assistenten gingen knielen terwijl “Veni, Sancte Spiritus” gezongen werd!
Het Alleluia en jubilus bestaat uit 3 deeltjes: een eerste eenvoudig op en neer gaan bij de tekst Alleluia.
Een tweede vangt met een kwartsprong hoger aan en een derde bereikt de hoogste noten met een kwintsprong!  Het vers haalt zijn melodisch materiaal uit die 3 delen. De 1e zin: - Kom heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen -  “Veni” is gewoon de herhaling van Alleluia. – “Sancte Spiritus” tot fidelium” kreeg motieven van deel 2, met een tessituur van slechts 5 noten, van do tot sol.  De zang  bekomt een mooi rustig gevoel, daar zinnen en woorden allen eindigen op tonica re.
De 2e zin: - en ontsteek in hen het vuur van uw liefde -. Met “et tui amoris”  wordt  het materiaal van het 3e deel aangesproken, vooral het woord ”amoris”  krijgt een prachtige melodie en het afsluitende woord
“accende” brengt de volledige herhaling van het Alleluia.

Sequentia: “Veni, Sancte Spiritus”.  De sequentia werd een vervolg op het Alleluia en vangt bij voorkeur aan met de beginnoten van het Alleluia, zoals hier, met de noten: -do re mi fa mi re do re-
Het is een strofische liedvorm met een meer volks karakter. Dit sequentia heeft 5 dubbelstrofen, allen bestaande uit 3 versjes. In de 1e strofen wordt de vraag, de verwachting naar de komst gezongen.
In de volgende gaat het om de bewondering van de H.Geest. Verder wordt om Zijn hulp gezongen met de werkwoorden: lava, riga, sana, flecte, fove en rege. Tenslotte wordt het een smeken met het kleine woordje: “Da” – geef  ons dit en dat -.  Als auteur wordt vermeld: Wipo, kapelaan van de Duitse keizer,
Robert De Vrome (+1031) en Stephan Langton (+1228) aartsbisschop van Canterbury, volgens andere bron: de kanselier van de Parijse universiteit?   “Quod est veritas?”

Offertorium: “Confirma hoc, Deus” - God, bevestig wat Gij in ons hebt uitgewerkt: in uw tempel te Jeruzalem zullen koningen U geschenken offeren, alleluia. -
Nacht- en dagmis van Kerstdag, Pasen en Pinksteren hebben allen een offertorium in de wat strenge
4e modus, maar allen met eigen geaardheid! Enkel de nachtmis toont wat gelijkenis met Pinksteren,
dat spijts mooi bewegende melodieën, meer een biddend zingen moet zijn.
De zang bestaat uit 3 gehalveerde zinnen die wat vrij met hun 4e modus omgaan. Wat met die modus nog gebeurt!  “Confirma hoc” start in een mooie typische re-modus. Het volgende woord “Deus” is een klassieke formule waarmee de 4e modus graag afsluit. Het is aangewezen om die eerste halfzin in zijn geheel te zingen: de mooie melodische opbouw van “confirma + hoc” niet te onderbreken!
“quod operatus es” gaat verder in de re-modus en “in nobis” werd met een tristropha en hoogtepunt do in de belangrijkheid gesteld. Die hele zin:”quod operatus es in nobis” – wat Gij in ons hebt uitgewerkt – dient waardig en dankbaar gezongen te worden
De 2e zin: “a templo tuo” heeft ook 2 halfzinnen die wat hun eigen weg gaan: “tuo” eindigt op tonica mi
en “quod est in Ierusalem” is een duidelijk op en neer zingen  met mooie motieven van de 1e modus.
De laatste zin gaat in de 1e modus verder en de 2 halfzinnen, “tibi + reges” beginnen met hetzelfde motief. Tenslotte eindigt het laatste “(Alle)-luia” met het motief van “Deus”.

Communio:”Factus est repente”  - Plotseling ontstond uit de hemel een gedruis van een aankomende hevige wind, waar zij waren gezeten, alleluia. En allen werden vervuld van de H.Geest en spraken over Gods grote werken, alleluia. -   Dit communio bestaat uit 2 zinnen die in een brede boog een opgaande en neerdalende beweging hebben.  In de 1e zin gaat het over de komst, in de 2e zin over het werk van de H.Geest.
Zoals “Puer natus” met een kwintsprong en de blijde 7e modus begint, zo vangt “Factus est repente” aan met 3 kwintbewegingen en brengt “sonus” de zang onmiddellijk naar hoogtepunt fa. Het gaat niet om geluid van bazuingeschal, maar om geruis van wind! Zo dient hier zeker niet extra sterk gezongen te worden! Zo mogelijk wordt “Factus” over het de asterisk tot na “sonus” in één ademhaling, maar toch plechtig aankondigend, gezongen. De melodie van de voorzin beweegt zich rond dominant re. De nazin:”ubi  erant sedentes”  - waar zij gezeten waren -  daalt af naar de beginnoot, tonica sol. Het alleluia dat er op volgt, vormt ook het besluit van de 2e zin!   Die 2e zin: “et repleti sunt omnes”  kent ook de kwint- beweging -sol re-, maar met tussennootjes, en beweegt zich ook met de syllabisch bewerkte tekst rond dominant re.  Ook hier is de nazin “loquentes magnalia Dei” in dalende lijn bewerkt, maar heeft een heel mooi, meer uitgebreid melodisch verloop.
Deze melodie werd, minder gelukkig, aangepast aan de tekst van de communio ”Quotiescumque” van het H.Sacramentsfeest.  In het huidige graduale komt zij niet meer voor!  Het is geen verlies.