14e zondag door het jaar

Introitus “Suscepimus”:  wordt heden gezongen, maar ook op 2 februari, feest van de opdracht in de tempel, waar de tekst zeker a priori thuishoort. Toch komt de zang sinds ouds op beide data voor!
De tekst kan de tempelpriester in de mond gelegd worden bij het aanschouwen van het goddelijk Kind en zijn moeder! – God, wij gedenken uw barmhartigheid in het midden van uw tempel –
“Suscepimus”  is een van de mooiste gezangen van de 1e modus, die de hele tessituur van hoog naar laag met zwier weet te gebruiken!  “Suscepimus” start al met de “Gotische” kwintsprong die we kennen van “Gaudeamus”  en cirkelt verder in het middenveld rond dominant la. De 2e zin is één gejubel  rond de noot do met een wat uitzonderlijke sprong naar de hoge mi, waar –do domire do- ontstaat: het juichende “bim-bam-bom”- motief!  - Zoals uw naam, God, en uw lof reikt tot aan het einde van de aarde – Enkel met “fines terrae” die een herhaling is van de afsluiting van de eerste zin (behoudens de laatste noot) wordt het wat lager en rustiger. De 3e zin beweegt zich rond mediant -noot fa, waar “iustitia plena” – vol gerechtigheid is uw rechterhand – met rustige overtuiging gezongen wordt.

Graduale “Esto mihi”: - Wees mij, God, een beschermer en een toevluchtsoord om mij te redden –
Dit graduale is mooi progressief opgebouwd: “Esto mihi in Deum” moet het stellen met slechts twee noten: fa en sol.  “protectorem”  mag al bewegen tussen re en la, en het gaat in stijgende lijn verder: “in locum refugii” stijgt naar de hoge re en landt op de lage do: een none-afstand.
De nazin ”ut salvum facias” krijgt zelfs een decime-afstand : van lage do tot hoge mi! Dit 5e modus-
gezang  is niet alleen melodisch mooi, maar het benadert ook goed de tekst.  Het smekend verzoek van “Esto mihi” komt met dit paar noten al goed tot uiting,  maar wordt, steeds meer aandringend,  benaderd met “protector” en “refugii”, om ten slotte bijna luid en hoog schreeuwend, met “facias” God om hulp te roepen.

Alleluia ”Magnus Dominus” Groot is de Heer en zeer lofwaardig, in de stad van God op zijn heilige berg – Deze woorden werden vandaag reeds gezongen als vers van het introitus, mits de woorden “valde” die daar “nimis” was en “nostri” die hier wegvalt. “Magnus Dominus” is een echt gregoriaans belcanto gezang! Met de grote kwintsprong, ons bekend van “Puer natus”, vangt het Alleluia zwierig aan. Het verloop van de jubilus bestaat uit een 4 tal fragmenten: een eerste, vlot op- en neergaande motief, wordt herhaald. Het derde deel krijgt een nieuw, iets lager motief, dat ook uit een op- en neergaande beweging bestaat, die een toon lager herhaald wordt. Het afsluitende vierde deel herneemt de kwintsprong van het begin, maar is verder de herhaling van het vorige deel.
Feestelijk bewonderend kan “Magnus Dominus” moeilijk beter klinken dan in deze 7e modus, die bij die woorden de uitzonderlijke hoogte van –fa sol la- bereikt!  “in civitate” brengt de volledige herhaling van de jubilus.  “in monte sancto eius” zorgt wat verrassend en syllabisch, voor een moment rust, maar met “eius” wordt alle gejubel hernomen.  Merkwaardig is ook enige gelijkenis van dit gezang met het Alleluia “Deus, qui sedes” van de 10e zondag door het jaar, dat ook in de 7e modus staat en de jubilus laat starten met een motief van de huidige jubilus. Beide gezangen zijn ook van een iets jongere datum, daar geen van beide in de oude handschriften voorkomen!

Alleluia “Venite ad me” : zie hoogfeest Allerheiligen.

Offertorium “populum humilem” :  – Een nederig volk zult Gij redden, Heer, en de ogen van de
hoogmoedigen vernederen; want wie is God buiten U, Heer? – Het 1e vers kent een mooie, immer stijgende opbouw. “Populum” begint op tonica fa, “humilem” bereikt –la do- en “facias” –do mi- wat al het hoogtepunt van het gezang wordt. Na de nederige start wordt het dus vlug een bijna jubelend zingen bij “salvum facias”, een blijde zekerheid: Gij zult ze redden! Het laatste woord ”Domine” valt wat uit de toon: na alle gejubel hoog in de lucht, moet “Domine” zo maar uit de kelder omhoog kruipen om bij “-mine” een kwint terug omlaag te vallen?
De 2e zin begint ook met fa.  “oculos” behoudt de si van “Domine”, om in “superborum” (die iets melodisch gelijk is aan “humilem”) sibé te zingen. Meer helder klink “humiliabis” naar het voorbeeld van “facies”. Ook de 3e zin start met tonica fa, maar vlug klinkt een overtuigend zekerheidsgevoel van “wie is God buiten U?” met een drietal noten op “praeter te” en een 3 maal zwaaien met-doredo resi do- van “Domine”.

Communio “Gustate et videte” :– Proef en ziet, hoe zoet de Heer is. Zalig de man die op Hem vertrouwt -  Dit communio bestaat slechts uit 2 zinnen, die elk een voor- en een nazin hebben, door een komma afgescheiden. Beide voorzinnen eindigen met een verbreding, een soort korte pauze. Beide nazinnen eindigen ook op eenzelfde manier: “ est Dominus” = “in eo”.   Iedere zin heeft echter haar eigen karakter: de eerste zin klinkt levendig, uitnodigend, hoog op dominant do: “Gustate et videte” – proef en ziet - . De nazin bestaat uit 4 zangerig bewerkte afdalende woorden. Speciaal in de 1e zin zijn de twee tristrophas, die zo de woorden ”videteen “quoniam” in de aandacht brengen.
De 2e zin is een soort rustige mededeling: “ Beatus vir”… De melodie beweegt hier in de lagere regio met la als hoogste noot.  Dit is een mooi, echt communiegezang.