13e zondag door het jaar

Introitus “Omnes gentes :  -Alle volkeren klappen in de handen.  Zij jubelen voor God met juichende stem. -  Met jubelen en juichen brengt die tekst ons hier terug bij het paasgebeuren.  De melodie volgt echter de uitbundigheid van de tekst niet. De iets lage tessituur van de 6e modus benadert de tekst meer als een overtuigde, rustige mededeling. Die tekst bestaat uit 2 korte zinnen die beide gehalveerd kunnen worden en amper uit een paar woorden bestaan, die een afzonderlijke melodische bewerking kregen. Schijnbaar werd hier geput uit bestaande formules: zo is “Omnes gentes” terug te vinden in “Stetit Angelus” (610)- offertorium  29 sept.  “plaudite manibus” beantwoordt aan alleluia “Adorate Dominum” van kerstdag (149), en “plebi suae” van de 12e zondag (294)!
De 1e zin staat feitelijk in de 2e modus: tonica re, dominant fa en hoogtepunt la.  Met de 2e zin start hier echt de 6e modus: “iubilate” krijgt als enig woord de toelating om tot do op te stijgen, maar “Deo” wordt al met twee neerbuigende climacussen op fa afgesloten. “In voce” daalt weer naar re, en “exsultatione” klinkt meer eenvoudig bevestigend dan jubelend!
In ons graduale-triplex vinden wij in het rood onderaan bijgeschreven: “Subiecit populos” (onderworpen werden die volkeren), het 4e vers van de psalm, waarmee  St Gallen en Einsiedeln het gezang als afsluitende psalm beëindigde. 

Graduale “Venite filii”: - Kom, kinderen, luister naar mij; ik zal u leren de Heer te vrezen.  Kom tot Hem en laat zijn glans u overstralen; en geen schaamte zal uw aangezicht bedekken -  Het graduale maakt een synthese op de lezingen van Paulus, die de christenen van Rome onderricht en van Mattheus, die Gods waardigheid beschrijft. In de gewone opbouw van een 5e modus-graduale wordt “Venite filii” uitnodigend van uit de diepte gezongen.  “timorem Domini” - de vrees voor de Heer - kan, eenvoudig afdalend, als een uiting van eerbied of angst gezongen worden. Met een bekende coda wordt hier toch hoger afgesloten. Het 2e deel “Accedite ad eum” is volledig terug te vinden in het graduale van het feest van Petrus en Paulus (576). Hier kregen de woorden “eum”  en “illuminamini” terecht die mooie, hoge melodische bewerking. Met de herhaling van de coda van het 1e deel wordt ook hier finaal geëindigd.

Alleluia (A) “Christus resurgens is een speciaal gezang. Het werd oorspronkelijk gezongen op Pasen zelf en, zoals gebruikelijk, ontstond uit deze melodie van het begin van het vers: -re do re fa sol fa mi re – de sequentia “Victimae paschali laudes”.  Een andere bijzonderheid is dat het alleluia + jubilus een aaneenschakeling is van allerlei motieven waarmee het vers werd opgebouwd. Het woord “Alleluia” is gewoon een 2 maal opstijgen en dalen. De jubilus beweegt met verschillende motieven rond dominant la om tenslotte met een wat verrassende kwartsprong op tonica re te eindigen. Het vers is volledig met die motieven opgebouwd:  “Christus” = ”Alle-(luia)  /  “resurgens” =  “ –luia”  + deeltje jubilus  /  “ex mortuus” = (Allelu)-ia” + deeltje jubilus  /  “iam non moritur” =  middenstuk en slot van de jubilus.
De 2e zin met “mors” gaat zijn eigen weg: geen treurnis om die dood, neen, Christus heeft de dood overwonnen! Het wordt een 2 maal juichen met een kwartsprong, een bereik van een septiem en een mooie afsluiting met een hoge torculus.  Met een reeks climacussen  wordt bij ”illi ultra” de tonica terug bereikt en “non dominabitur” is de herhaling van Alleluia + jubilus.

Offertorium Sicut in holocausto” : is een vers uit de lofzang “Benedicite” die Azarias begon te zingen midden de vuuroven, waarin koning Nabucodonosor hem en drie jongelingen had gegooid.
– Al  brachten ze mij een brandoffer van rammen en stieren en al kwamen zij met duizenden vette lammeren, zo moge ons offer heden voor uw aanschijn welgevallig zijn; want geen smaad treft hen die op U vertrouwen, Heer -  De componist schijnt zich goed, door het gebeuren in de oven, hebben laten leiden: het hele gezang is een aangenaam, heel rustig zingen. Al is de tekst tamelijk lang, toch gebeurt het zingen binnen de beperkte toonomvang van 6 noten, met één uitzondering: de hoge mi op “millibus”, om te benadrukken : “het waren er duizenden!”.   Heel rustig start “Sicut in holocausto”
met de noten –fa so la sibé la-, natuurlijk wordt over het * heen gezongen, en tot het einde van de
1e zin, met “pinguium” verlopen de noten in samengevoegde beweging, met secunden. Het tweede  “sicut” neemt het motief van het eerste over, maar een terts hoger: -la do re mi re-.
De 2e zin heeft met tertsafstanden wat meer beweging. “sacrificium” neemt het motief van “pinguium” over, en in de nazin krijgt “in conspectu” de enige grote kwintsprong. Het motief waarmee de 2e zin met “ut placeat tibi” eindigt, wordt herhaald bij het begin van de 3e zin:”quia non est confusio”. Dient het niet gezongen te worden met het grote godsvertrouwen van Azarias en de drie jongelingen?

Communio (A) “ Christus resurgens” :  - Christus, opgestaan uit de dood, is niet gestorven. De dood zal Hem niet meer overheersen. -  Komende van de woensdag uit de paasweek, zou men hier op deze tekst een blij gezang verwachten, maar neen, ook hier gaat het om een brief van Paulus aan de Romeinen. Het klinkt als een simpele vaststelling: ‘Gij weet het, dat Christus verrezen is?’ Met slechts een viertal noten start het eerste voorzinnetje. Hierna komt ”iam non”, twee woordjes die ‘duidelijk’ gezongen dienen te worden, en ”moritur” die wat onverwacht laag eindigt. De 2e zin laat “mors illi” nog wat in die lage sfeer verder gaan, maar ”non dominabitur” zingt hoger op, in het licht van het verrijzenisgebeuren!  Een kwartsprong, laat het hierop volgende “alleluia” vreugdig klinken.