11e zondag door het jaar

Introitus “Exaudi Domine”: – Aanhoor mijn stem, Heer, waarmee ik tot U roep: wees mijn helper, verlaat mij niet, God, mijn heil. – De 1e zin is een vraag om verhoring, een uitdrukking van eerbied voor Gods almacht. Slechts met eenvoudige secundenbewegingen buigen de woorden: “Exaudi Domine” laag neer, om met “vocem meam” weer wat op te richten. Tertsen geven “qua clamavi”,  dat terecht hoopvol, wat breed gezongen wordt, wat meer allure, maar door het omgekeerde slot
-mimifa- gaat “te” als een verzoek, een “als ’t u blieft “ klinken.  De volgende zin start onmiddellijk overtuigend en vertrouwend: - Gij zijt mijn helper – “esto” wordt hoog boven alles uitgezongen zonder de hoge do te hard te zingen! Twee muzikale woorden: “derelinquas” + “despicias”: - verlaat + verstoot -  gaan terug wat lager klinken.  Eerbiedig en breed gezongen klinkt “Deus” ,dat terug diep neerbuigend, eindigt.   “salutaris” kreeg ook een mooie zang en “meus”  bevestigt eindelijk met mi,
de  4e modus!   Fris en hoog zorgt de psalm voor een aangename afwisseling met de antifoon.

Graduale(B) “Bonum est”:is een gezang dat feitelijk een soort verzameling is van motieven die eigen zijn aan de 5e modus. Het 1e deel klinkt als een dankbaar vreugdevol gezang, maar verder wordt geen belang gehecht aan de tekst.  Het is een soort mooi concertant zingen. 

Alleluia “Domine, in virtute” :- Heer, in uw kracht zal de koning zich verblijden, en om uw heil zal hij met geweld jubelen -  Waarschijnlijk toeval, maar de eerste noten van het alleluia zijn ook de begin-
noten van het “Lauda Sion” !  Het is een eigenaardig gezang:  een 6e modus die start als een zuivere 1e modus; een eerste jubilusdeeltje dat de diepte ingaat, gevolgd door een tweede dat omgekeerd de hoogte ingaat!  Het vers “Domine” herneemt de Alleluia-melodie, maar met weglating van de eerste noot re, waardoor heel de zang zich nu zuiver in de 6e modus beweegt , overwegend met de noten tussen fa en do.  Met “salutare” keert het lage jubilusmotief terug en ”exsultabit vehementer “ herhaalt het volledige alleluia. De vraag dient gesteld of we hier wel met de originele tekst te maken hebben?  Het belangrijke woord “rex” krijgt slechts één, schijnbaar bijgevoegd, nootje tussen al de weelderige melismen voor en na! Ook het hierop volgende kleine voegwoordje “et” krijgt overdadige aandacht.    Misschien is het origineel te vinden bij het vroegere Mariafeest: “ Onbevlekt Hart van Maria”, dat doorging op de 3e Pinksterzondag. Hier vinden wij op dezelfde melodie twee verzen van het Magnificat die veel beter op de muziek geplaatst werden!

Offertorium “ Benedicam Dominum”: roept onmiddellijk het blijde “Gaudeamus” voor de geest wanneer wij de noten: -do re re la sibé la- zingen. Het is een blij lied van dankbaarheid: - Prijzen zal ik de Heer, die mij verstand gaf;  altijd zie ik God voor ogen, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankele –  Vooraan staat de aanduiding 1e modus, maar dat geldt maar voor de eerste twee woorden. Onmiddellijk hierna gaat de zang verder in de 5e modus binnen de afstand –fa do-
Het loont de moeite om eens na te gaan hoe eenvoudig, en toch telkens verschillend, met die 5 opstijgende noten –fa sol la si do- werd omgegaan! Vergelijk: “ qui mihi” – “intellectum” – “providebam” – “in conspectu meo” – quoniam – “ a dextris”. Pas bij het laatste opstijgen met
“a dextris”, wordt met “mihi” terug onder fa neergedaald. Met een wat wankele melodie als weergave van “commovear”, wankelen, wordt laag in de 1e modus afgesloten.

Communio “Unam petii”:– Eén iets vraag ik de Heer, zal ik naar streven: te wonen in het huis van de Heer, zolang ik leef. – Weer een mooi voorbeeld van een zang waar de melodie eenvoudig de tekst illustreert. Ga de tekst rustig, met begrip lezen en je weet hoe je dit communio moet zingen!
Het begint hoog op dominant re: - een klein beetje maar – “Unam petii” met het accent op Unam” wil iets breed ingezet worden, en daalt nederig af met “Domine”.   hanc”, waar de tweede halfzin mee begint en die een mooie vlucht neemt naar omhoog, dient zeker niet in sterkte “Unam” voorbij te gaan.
De tweede zin is een mooi in de hoogte klinkende wens: “ut inhabitem in domo Domini” – dat ik mag wonen in het huis van de Heer -  En, zoals “requiram” de eerste zin afsluit, sluit “vitae meae”  met precies dezelfde noten de slotzin af. Ook een curiosum is, dat de melodie van “Domino” exact terug te vinden is op het woord “Dominum” van het introitus “Oculi mei” van de 3e vastenzondag.