10e zondag door het jaar

Introitus (B) “Si iniquitates”:Het is boeiend de vergelijking te maken met intr. “Omnia” (342). Tweemaal modus II,  vgl. de eerste zin: “omnia quai fecisti nobis (komma) Domine” met
“Si iniquitates observaveris (zonder komma) Domine”.  De componist moet zeker ook hier aan dekomma gedacht hebben want het woord “Domine” is tweemaal identiek gelijk met uitzondering van de slotlettergreep: bij het bewonderende “Omnia” sluit het af met een bevestigende: -do-do-si, terwijl in het wat bevreesde “Si iniquitates” het -si-si-do- wordt!
Zing het liefst door tot aan “Domine. “Neen, we zijn er niet gerust in!”, de tekst gaat verder: ”Heer, wie zal dan bestand zijn? “: melodisch hoogtepunt, met terug dit vragend afsluiten met: -si-si-do! Bemerk ook de gelijkenis tussen: (Si ini)-quitates” en de inzet van het 2e deel: “quia apud te”.

Graduale “Propitius esto”:– Wees genadig voor ons, Heer, opdat de heidenen ons niet zeggen: Waar is dan hun God? -  Voor dit graduale stond “Christus factus est “ model.  Bij het eerste deel van “Propitius” gaat die zijn eigen weg: het is een bidden om genade en kracht.  Waar “Christus” steeds onderaan de modus klinkt omwille van het “mortem crucis”, kent “Propitius”  meer beweging en laat de vraagzin: “Ubi est Deus eorum” voortdurend de hoge do bereiken.
Het 2e deel “Adiuva nos” neemt volledig de melodie over van “propter quod  Deus” , waardoor de grote vocalise  van “(exaltavit) illum” – Hij zal verheerlijkt worden  - op het minder belangrijke woord “noster”  terecht komt.

Alleluia “Deus, qui  sedes”: God, die gezeten op de troon gerechtigheid spreekt, wees voor de armen een toevlucht in hun nood – Een mooi, blij alleluia, enigszins verwant met de paasalleluia’s, beweegt van tonica sol naar dominant re.  Het 1e deel van de jubilus maakt 2 op- en neergaande bewegingen, het laatste deel herneemt de 2e beweging en sluit af. Het vers is een heel mooi gezang:
roept het niet een van die prachtige schilderijen op die de goddelijk Almacht uitbeelden? Van Eyck’s
Lam Gods en veel andere! Maar we denken natuurlijk omgekeerd want de gezangen waren er lang voor de schilderijen er waren!  “Deus” wordt eerbiedig benaderd. Bij “sedes” zingen we hoe de Heer gaat zitten, maar “thronum” krijgt een eindeloze melodie die een heel mooi stijgen en dalen kent.
Bij “iudicas aequitatem” wordt dit lange melisme geëindigd, en waar verder over armen wordt gezongen, daalt de melodie terug naar tonica sol.  Tot besluit mag “in tribulatione” nog eens een rustige vlucht nemen met de motieven van alleluia met jubilus.

Offertorium ” Ilumina oculos meus”:   (komt oorspronkelijk van de zaterdag voor de derde vastenweek.) - Verlicht mijn ogen, dat ik niet sterf in de slaap, opdat mijn vijanden niet kunnen zeggen: - ik heb hem overweldigd! -  Er is iets van angst, smekend vragen in dit offertorium, dat zich uit in “meos”  - verlicht “mijn ogen” – De melodie verhoogt bij “nequando” om bij “obdormiam” – inslapen – terug omlaag te vallen en verder, wat verrassend “morte” weer naar de hoge do toe te laten zingen!  Het volgende deel “nequando” verschilt met het eerste: het begint lager en weet toch met secundebewegingen de hoge do van “(di)cat” te bereiken. Hier ontstaat een motief –la dododo si la- dat zich zal herhalen bij “(ini)mi(cus)”. En “praevalui” dat plots diep in de put valt?
Is dat geen duidelijke uitdrukking van overweldiging?

Communio (B) “Quicumque fecerit”: is een gezang dat naast andere te vinden is in het gemeenschappelijke van de heiligen, het commune sanctorum. (515)  Gezangen van verdwenen heiligenfeesten. Het “Quincumque fecerit”  kwam van het feest van de 40 martelaren, (10 maart),
die om hun geloof door generaal Lysias gemarteld werden en ontkleed, op het ijs stierven in 320 te Sebaste in Armenië. De tekst: - Al wie de wil volbracht van mijn Vader, die in de hemel is, zal mijn broer, zus of moeder zijn, zegt de Heer. -  Weerom is hier de Heer aan het woord, het gesprek start op de lage -re- en zal slechts 2 maal met sibé dominant –la- overschrijden:  bij “voluntatem Patris”,
-de wil van de Vader – die alzo goed in het licht gesteld wordt en feitelijk de mooist versierde en voornaamste woorden uit de tekst zijn! Bij “qui in caelis est”, overwegend slechts op de noot sol te zingen, kan niet geëindigd worden, de melodie houdt een verrassing, een belofte in, die mooi in de
tweede zin uitgezongen word : “ipse” + “meus” krijgen eenzelfde motiefje: punctum en torculus,
wat de woorden nadrukkelijker maakt.  “frater” + “soror” moeten het eenvoudig syllabisch stellen…
En zou het verkeerd zijn te veronderstellen dat de componist bij “mater” vooral aan moeder Maria zal gedacht hebben toen hij dat woord het grootste melisme gaf?     Tenslotte kregen de minder belangrijke laatste twee woorden “dicit Dominus” ook een mooie melodische bewerking.